Biljana Plavsic: God heeft ons gekozen

PALE/SARAJEVO, 13 SEPT. De weg door de bergen van Sarajevo naar de hoofdstad van de Servische Republiek, Pale, leidt langs de bergrand vanwaaruit Sarajevo tijdens de oorlog door de Bosnische Serviërs werd beschoten. De houten stellages van waaruit werd gevuurd, staan er nog.

Op een drassig veldje in het centrum van Pale heeft zich deze donderdagmiddag een grijs uitziende menigte verzameld van een duizendtal mensen. Op een podium zitten de leider van de regerende Servische Democratische Partij (SDS), Biljana Plavsic, de minister van Buitenlandse Zaken van de Servische republiek, Aleksa Buha, en de voorzitter van het Bosnisch-Servische parlement, Momcilo Krajisnik, op een podium.

De burgemeester van het deel van de bij Sarajevo gelegen wijk Ilidza dat Servisch is gebleven, is aan het woord. “We hebben een nieuw land opgebouwd met ons bloed, het bloed van onze kinderen. Ik hoop dat we de dag na morgen weer over onze eigen weg van vrijheid kunnen lopen, met onze eigen leiders, Radovan Karadzic en Ratko Mladic [de vroegere leider van de Bosnische Serviërs en de opperbevelhebber van het Bosnisch-Servische leger, red].” Applaus barst los.

Strajko Granzov staat te glunderen. “Karadzic heeft altijd het juiste voor ons gedaan”, zegt hij. “Hij wilde geen oorlog, de moslims en de Kroaten zijn de oorlog begonnen.” Het is een schande dat de internationale gemeenschap zijn affiches heeft verboden, zegt hij. “Maar ze hangen toch overal.” Wat de SDS en Karadzic voor hem kunnen doen? Dat weet Granzov niet. Maar wat de SDS voor 'het Servische volk' kan doen, dat weet hij wel. “Zij moeten ervoor zorgen dat we Bosnië verlaten en ons aansluiten bij Joegoslavië. De Serviërs horen samen te zijn. Er is geen andere oplossing.” Zijn vrouw lacht haar drie gouden voortanden bloot: “Karadzic, Karadzic.”

Hoewel de meeste bewoners van de Servische Republiek straatarm zijn en geen werk hebben, roert geen van de functionarissen deze middag het onderwerp 'economische toekomst' aan. Op de vraag wat hij van de SDS verwacht, weet Dolibar Bogdanic (24), student elektrotechniek, niet zo snel een antwoord. “Het is de beste partij voor de Serviërs”, zegt hij. Een van zijn vrienden schiet te hulp: “We verwachten dat ze een Servische staat vormen. U weet wat hier is gebeurd, onze familie is vermoord.” Verwachten zij dat de SDS voor een baan zorgt? Ze aarzelen. “Dat weten we niet.”

De boodschap van Krajisnik, kandidaat voor het presidentiële driemanschap voor Bosnië, is dat niemand de Serviërs kan verbieden hun eigen staat te vormen. “De Serviërs accepteren het niet om van elkaar gescheiden te worden.” Het stadje Brcko in het noorden van Bosnië - waar via internationale arbitrage nog over moet worden besloten aan wie het toebehoort - is van de Serviërs, zegt Krajisnik, de Krajina die in 1995 door de Kroaten werd veroverd, is ook van de Serviërs. “We weigeren ons land te verlaten.”

Biljana Plavsic spreekt als laatste. Ze stuurt de menigte naar huis met de belofte: “God heeft ons gekozen om de Servische staat te stichten, dus wij weten hoe we na de verkiezingen verder moeten. Een gemengde staat is niet goed voor de Serviërs.”

De Bosnische Kroaat Stjepan Kljuic, die samen met vier andere partijen de oppositiepartij 'Gezamenlijke Lijst voor Bosnië' vormt en die krachtig voor een multi-etnische samenleving opkomt, verheft in zijn kantoor in Sarajevo zijn stem als hij zegt: “Hoe wanhopiger de kiezers, des te beter het is voor de nationalisten. Het zijn de arme boeren, de vluchtelingen, de oorlogsgewonden, de mensen die niets meer te verliezen hebben, die zaterdag weer voor hun eigen nationalistische partijen gaan stemmen.” Kljuic trad af als leider van de Kroatische HDZ toen die na het begin van de oorlog een fel-nationalistische koers ging varen. Alle nationalisten die dingen naar het presidentschap, Izetbegovic voor de moslims, Zubak voor de Kroaten en Krajisnik voor de Serviërs, laten opzettelijk na om oplossingen aan te dragen voor de problemen in Bosnië, meent Kljuic. “Ze houden hun kiezers opzettelijk in de sfeer van de oorlog. Alleen dan kunnen ze rekenen op hun steun.”

De drie partijen in Bosnië willen allemaal hun eigen nationale staat, ook president Izetbegovic, die altijd beweert dat hij een multi-etnisch Bosnië wil, zegt Kljuic. “Hij zegt het niet openlijk, maar hij doet er alles aan om in Bosnië een islamitische republiek te stichten.” De nationalistische leiders kunnen hun doel alleen bereiken over de ruggen van de gewone burger, zegt hij. Zolang hun geen betere perspectieven wordt geboden, klampen ze zich vast aan hun nationale leiders. “De vrede vraagt om nieuwe leiders”, meent Kljuic, die op zijn bureau een rode wekker heeft staan, het symbool van de 'Gezamenlijke Lijst'. “Maar onze tragedie is dat het Westen niet ons, maar de nationalisten steunt.”

Ze zijn voor altijd gehandicapt, ze zijn hun huis, hun baan en hun familieleden kwijt. Maar op de lippen van de patiënten in het Bosnische centrum voor rehabilitatie van oorlogsslachtoffers in het Centraal-Bosnische stadje Fojnica ligt maar één naam: 'Alija', de voornaam van de Bosnische president Izetbegovic, de man voor wie zij de oorlog vochten. De geur van de lunch die zojuist aan drie lange tafels in de eetzaal is genuttigd, hangt nog in de hal. Op het menu stond soep, een Bosnische groente- en vleesschotel en pudding. De meesten van de 560 patiënten zijn na de lunch weer teruggegaan naar hun kamers. Anderen krijgen therapie in het zwembad, in een van de massagebaden of in de kamers met elektrische massage-apparatuur. “Van onze patiënten is 99 procent oorlogsslachtoffer”, zegt dr. Eldan Loknic, de directeur van het centrum. “De meesten zijn invalide. Maar het grootste probleem is dat ze niet terug kunnen naar hun huizen en dat ze geen werk hebben.”

In kamer 123 van het centrum ligt ex-soldaat Hasan Kenderagic op bed met over zijn benen een dekentje. Hij is tijdens de oorlog nadat hij in zijn hoofd was geraakt door een granaatscherf, zeven meter naar beneden gevallen van een bergrand. Sindsdien is Kenderagic, tenger met een smal gezicht en kleine, glinsterende bruine ogen, verlamd aan beide benen. Als lid van het eliteleger van de moslims, de Zevende Brigade vocht hij in 1993 tegen de Kroaten bij Bugojno. Moslims en Kroaten moeten weer samen leven, meent Kenderagic. “Maar de fascisten, de Ustasas, die moeten dood.”

“Ik heb niemand aangevallen”, zegt Kenderagic. “Maar het was oorlog. Als ik hen niet doodde, zouden ze mij doden. Het is niet normaal om te doden, maar in de oorlog is het wel normaal.” De eerste keer dat hij doodde, was het moeilijk, vertelt Kenderagic. “Maar daarna raakte ik eraan gewend.” Als hij vertelt over die 'eerste keer', begint hij te giechelen. “Ja, natuurlijk herinner ik me dat nog.” Maar dan zegt hij: “Ik weet eigenlijk niet of hij wel dood was. Misschien was hij wel niet dood. Ik heb geen zin om erover na te denken.” Als zij hem zaterdag komen halen om te stemmen, zal Kenderagic voor 'Alija' stemmen, de “eerlijkste man”. “Alija heeft geen schuld aan de oorlog, hij wilde de oorlog niet. Ik ben mijn huis en mijn baan kwijt, maar ik voel geen spijt. Voor mijn land doe ik alles, ik zou weer vechten, ik zou mijn leven geven.”

Zoran Turalic (50) zit in een rolstoel. In de oorlog raakte zijn linkerbeen verbrijzeld door een granaat. Als hij zegt dat hij voor 'Alija' gaat stemmen “omdat die heeft gevochten voor ons land en voor onze mensen”, klinkt van achter de witte gordijntjes waar vijf andere patiënten elektrische therapie krijgen, applaus. Ze roepen “Alija, Alija”. Achter een gordijn komt een vrouw tevoorschijn. “Ik ben in de oorlog mijn zoon verloren”, zegt zij. “Maar ik neem Alija niets kwalijk. De oorlog is de schuld van de Cetniks (de Bosnische Serviërs, red.).”