Bestrijding van sociale fraude kan niet wachten tot er genoeg banen zijn

In NRC Handelsblad van 26 augustus jongstleden bepleitte A.F. de Savornin Lohman in een overigens sympathiek betoog dat de overheid voorzichtig moet zijn met harde sancties in de sociale zekerheid. Twee punten verdienen commentaar.

Het eerste is de schaal waarop misbruik en oneigenlijk gebruik in de sociale zekerheid voorkomt. Volgens De Savornin Lohman is dat “abnormaal groot”, wat te denken moet geven over de juistheid van ons systeem van sociale zekerheid. Volgens cijfers van het CBS neemt het aantal gerapporteerde gevallen van fraude inderdaad toe. Die toename is echter gebaseerd op een verhoogde aandacht voor de fraudebestrijding. Sinds enkele jaren staat dit thema hoog op de politieke agenda. Het aantal sociale rechercheurs is snel toegenomen. Speciale Regionale interdisciplinaire fraudeteams ( RIF's) zijn in het leven groepen om de 'zwarte fraude' te bestrijden, de registratie is verbeterd en een rapportageplicht ingevoerd. Geen wonder dat het aantal gerapporteerde fraudegevallen aanzienlijk toeneemt. Uitspraken over de schaal waarop fraude daadwerkelijk voorkomt en of dat vroeger meer of minder was dan nu, kunnen evenwel niet worden gedaan.

Aan het idee van de schaal kleeft een aantal andere problemen. Het eerste is dat de praktijk van de fraudebestrijding wijzigingen heeft ondergaan. Nog enkele jaren geleden werd een 'paar uur per week werken' oogluikend toegestaan. Met de aanscherping van het sociale zekerheidsregime werden voorheen normale praktijken omgezet in 'fraudegevallen'.

Een tweede indicator voor de schaal is de hoogte van het gefraudeerde bedrag. Deze bedragen zijn administratief vastgesteld en zitten vol gebakken lucht. Krantenkoppen als 'Tweehonderd miljoen aan fraude opgespoord' gaan niet alleen voorbij aan de verandering in de fraudedefinitie, maar suggereren vooral dat het genoemde bedrag daadwerkelijk wordt geïnd, hetgeen de vraag blijft.

Ten slotte vormt de rechtsbeleving een probleem. De gepropageerde verzakelijking, het opgeklopte beeld van de geïndividualiseerde en calculerende burger, en niet in de laatste plaats, de aanwezigheid van grote groepen allochtonen, hebben alle bijgedragen tot een waaier van rechtsnormen.

Het tweede punt is de aanbeveling van De Savornin Lohman om de positieve initiatieven van uitkeringsgerechtigden om weer aan het arbeidsproces deel te nemen niet af te straffen, totdat de wetgever heeft gezorgd voor een gezond stelsel van herintredingsmogelijkheden. Verwijzend naar de rechtspraak inzake zelfdoding bepleit hij een voorzichtige en milde toepassing van straffen op het terrein van de sociale zekerheid. Daarmee wordt ruimte gegeven aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.

Bij beide aanbevelingen - afwachten tot een gezond stelsel is ontstaan en terughoudendheid bij de toepassing van straffen - zijn vraagtekens te plaatsen. De realisering van het eerste punt is sterk afhankelijk van het aantal beschikbare banen. De overheid kan het zich echter niet permitteren om te wachten totdat er genoeg banen zijn voor de veelal laag- en ongeschoolde uitkeringsgerechtigden. Zij moet - met alle begrip van de wereld - normstellend zijn.

Onder de uitkeringsgerechtigden bestaan er grote individuele mentaliteitsverschillen: de een lapt de regels willens en wetens aan zijn laars, de ander niet. Bovendien ondermijnt een coulante opstelling jegens fraudeurs de rechtsongelijkheid tussen uitkeringsgerechtigden. Waarom zou een frauderende

'er op tegemoetkoming mogen rekenen en niet de ander die zich keurig houdt aan de regels? Voor beiden is er immers begrip op te brengen. Toepassing van milde straffen kan nog meer fraude uitlokken, zowel van degenen die reeds frauderen als van diegenen die dat niet doen.

Vanwege de uiteenlopende rechtsbeleving is het moeilijk vast te stellen wat 'goed' en wat 'fout' is. Dat stelt ook rechters voor een lastige opgave. Zware sancties verergeren inderdaad de problemen van de huishoudens in kwestie.

Dilemma's te over in de sociale zekerheid. Het is te betwijfelen of de oplossing bestaat uit 'goede' en 'functionele' wetten, zoals De Savornin Lohman betoogt. Wat hier is geboden, is wijsheid. En die is in het parlement helaas niet te vinden.