Beelden van een stad met weinig hoop

Pablo Ortiz Monasterio: The Last City, Twin Palms Publishers, 104 blz., 80 foto's, ƒ 84,60

De Mexicaanse fotograaf Pablo Ortiz Monasterio maakt het soort foto's dat zich, hoewel journalistiek van toon, bijna dichterlijk losgemaakt heeft van het onderwerp. Naarmate je er langer naar kijkt roepen ze meer vragen op dan te beantwoorden zijn. Zijn stijl houdt het midden tussen documenterend en verbeeldend. Zijn nieuwe boek The Last City, gaat over het leven in Mexico-stad.

'Post-apocalyptisch' heet die stad in het summiere nawoord. Ze overleefde de desastreuze aardbevingen van 1985, zoals ze zich ook vandaag de dag nog staande weet te houden ondanks de overbevolking (ongeveer 20 miljoen inwoners), de armoede, de politieke en sociale onrust en de milieuvervuiling.

Wanneer de foto's gemaakt zijn, en wat er precies op te zien is, wordt nergens vermeld. Veeleer hebben de portretten, details en flarden dagelijks leven in het boek iets weg van de terloopse observaties van een wandelaar, inclusief de bijbehorende verrassing en glimlach: een kussend bruidspaar tijdens een huwelijksfeest, macho's spelen toneel op zonovergoten straathoeken, twee jongens oefenen naast de autoweg voor het stierengevecht.

Monasterio (1952, hij maakte boeken en tentoonstellingen over Mexicaanse fotografie en was de afgelopen twee jaar jurylid bij World Press Photo) legde ze vast in precieze, zorgvuldig afgewogen foto's: zelfs wanneer er chaos heerst, of er hier een arm, daar een bovenlijf lukraak het beeld in steekt, staat alles op zijn plaats.

Afgezien van de armoede die overal het decor van zijn foto's vormt komen de enorme structurele problemen van de stad slechts zijdelings in beeld. Waslijnen die eruit zien als de rekken in een tweedehands kledingwinkel, de stethoscoop op de borst van een magere man, illegaal afgetapte elektriciteitsleidingen die als guirlandes langs de gevels slingeren - ze vormen de symbolische verwijzingen naar de finaal uit de hand gelopen urbanisatie, zoals de trotse torso van een indiaan op een van zijn foto's niet meer dan een herinnering is aan de onlusten van vorig jaar.

Beklemmend mag het resultaat genoemd worden. Dit effect wordt versterkt door de visueel associatieve wijze waarop hij zijn werk rangschikte. Geen enkele foto volgt 'logisch' op de andere, maar toch is er samenhang; details lopen over van de ene foto in de andere, situaties contrasteren, blikken kruisen elkaar. Oude vrouwen biddend in een kerkje plaatst hij tegenover een als een modern altaar opgesierde televisie, een meisje achter een uitstalling van pakjes sigaretten wordt gevolgd door de 'bewaker' voor zijn paneel met schakelkastjes voor illegale stroom.

Ondanks de bittere en desolate lading is het boek niet zonder hoop. Het laatste deel van zijn boek wijdt hij aan een van de vele jaarlijkse religieuze processies in de stad, waar een jonge man zich in navolging van het Grote Voorbeeld aan een kruis laat spijkeren, en kinderen in opperste devotie door het stof kruipen. Ze worden direct gevolgd door het beeld van een man die met een geweer in zijn hand rond een houten kruis op een heuveltop scharrelt - alsof niet het geloof maar het geweld de uitweg uit de misère is.

Of misschien is de dood het enige soelaas, getuige de ontroerende foto's aan het slot. Een bejaarde man zit bij een open grafkist omgeven door bloemen, kaarsen en bidprentjes, terwijl tussen zijn voeten een witte duif rondscharrelt. Op de volgende pagina fladderen kinderen gehuld in witte lakens tussen de huizen door - zelfs de dood kan het bij Monasterio niet stellen zonder poëtisch accent.