Autobiografische roman van Stefanie Zweig; Epos over een historisch tijdperk in Afrika

Stefanie Zweig: Nergens in Afrika. Uit het Duits vertaald door Dik Linthout. Atlas, 351 blz., ƒ 49,90.

De zon valt van de hemel en hult de farm in een fluwelen mantel. In de steppe huilen de hyena's. Regina zit op schoot bij Owuor die zacht en zwartbruin glanst. Een heerlijke honinggeur stijgt uit zijn poriën op.

Zo zinnelijk, zo idyllisch als in deze parafrase gaat het toe op vele bladzijden van Nergens in Afrika, een roman van Stefanie Zweig. Het zwarte continent roept zij tot leven met de gratie van een antilope - om het soort beeldspraak te gebruiken waar de schrijfster dol op is. Zweigs heldin Regina, een kind, houdt van de Afrikaanse dieren en meer nog van de Afrikaanse mensen. Die houden op hun beurt van de wind, de schaduw en de stapelwolken, die leven nog in harmonie met de natuur, in Zweigs volwassenen-optiek tenminste.

Huisboy Owuor en alle andere zwarte personages in dit boek zijn toonbeelden van trouw, wijsheid en gevoeligheid, en ik denk dat Zweig hen zo idealiseert om het contrast met de blanken beter te doen uitkomen. Want tegenover de gelukkige natives staan de ongelukkige Europeanen, de vluchtelingen van het vasteland, die geen oog hebben voor de schoonheid van Afrika. Hun gedachten vertoeven elders, in het verleden vooral. Stefanie Zweig (geboren in 1932 en geen familie van naamgenoot Stefan) vertelt een autobiografisch verhaal.

Net op tijd kan Regina's vader, een joodse advocaat uit Breslau, aan de nazi's ontsnappen. In Kenia vindt hij een baan op een farm en nog hetzelfde jaar, in 1938, laat hij vrouw en kind overkomen.

Walter Redlich, schrijft Zweig, beseft dat hij geluk heeft gehad en daarom schaamt hij zich voor de neerslachtigheid die hem dag en nacht plaagt. Op de afgelegen boerderij heeft hij alle tijd om te piekeren: over het verlies van zijn beroep en prestige, over zijn in Duitsland achtergelaten moeder die misschien al dood is, over zijn heimwee naar dat moordenaarsland en over zijn vervreemding van dochter Regina, die de Duitse taal snel verleert. Zijn zwarte toga schenkt hij nederig aan een Keniase hoogvlaktebewoner: hemzelf zou dat symbool van macht misstaan nu hij zich zo klein en hulpeloos voelt.

Een kledingstuk symboliseert ook heel mooi de dissonanten in Redlichs huwelijk. Van haar laatste centen, voordat ze op de boot naar Afrika stapt, koopt zijn vrouw een dure avondjurk. Terwijl dat geld voor een koelkast bestemd was! Verbitterd vult Walter de jurk met bederflijke waar zoals vlees en boter en hij hangt het bundeltje op in een boom, waar de wind voor verkoeling moet zorgen.

Als de auteur het bij dergelijke krachtige details zou hebben gelaten, zou Nergens in Afrika een sublieme roman zijn geweest. Maar Zweig acht het noodzakelijk om de gedachten en gevoelens van bijna iedereen, niet alleen van de complexe figuur Walter Redlich, ook nog eens uitvoerig uit te leggen. De lezer hoeft amper zelf na te denken, door steeds van vertelperspectief te veranderen. Ze werpt licht op de dromen van het hertje Suara en die van de schooldirecteur Mr Brindley en kruipt zelfs in de hersenspinsels van figuren die maar één keer het pad van het gezinnetje kruisen. Een dokter bijvoorbeeld wordt als volgt geïntroduceerd: 'Dr James Charters voelde de trilling in zijn linkerwenkbrauw [...] toen de twee hem onbekende vrouwen voor zijn favoriete schilderij met de prachtige jachthonden stonden.'

Zweig, een ervaren kinderboekenschrijfster en journaliste, switcht natuurlijk met opzet zo vaak van de een naar de ander. Wie een epos wil schrijven over een historisch tijdperk, moet ze hebben gedacht, dient de visies te verzamelen van zoveel mogelijk representanten van die epoche. Dus komt in haar epos de xenofobie van Britse kolonialen evengoed aan de orde als de overijverige assimilatiedrift van veel joodse ballingen, en dat alles tegen een adembenemend exotisch decor. Als op een superbreed filmscherm trekt de periode 1938-1947 aan ons voorbij, in full colour en vlotte montages, opdat we ons vooral niet vervelen.

Ongetwijfeld zal een Hollywoodregisseur op het idee komen Nergens in Afrika inderdaad te verfilmen, in de stille hoop het succes van Out of Africa te overtreffen of op z'n minst te evenaren. En ongetwijfeld is Nowhere in Africa dankzij de joodse hoofdpersonen een sympathieker beeldverhaal dan die film over de Deense snob Karen Blixen, die helemaal uit haar dak ging wanneer de Prince of Wales haar een complimentje maakte voor haar pittige Keniase cumberlandsaus. Maar als een roman je constant aan de bioscoop doet denken is er toch iets mis.

De beste romans zijn onverfilmbaar omdat ze in een taal vervat zijn die op een plat scherm sterft. De taal van boeken die je ongestraft naar het witte doek kunt overbrengen, is meestal risicoloos. Zie Nergens in Afrika, dat aan alle regels der vertelkunst voldoet. De dialogen zijn levendig, de ingrediënten - geboorte en dood, leed en vreugde, hoop en wanhoop - doordacht en smaakvol gedoseerd.

En dat is nu juist het probleem. Overtrad Zweig die regels nou maar eens. Permitteerde ze zichzelf nou maar eens wat grove excentriciteiten in plaats van die elk-wat-wils-lieflijkheid. Dan pas zou haar Keniase avontuur ook een literaire belevenis zijn.