'Zwitsers moeten afstand doen van duizend maal besmeurd goud'

LONDEN, 11 SEPT. Verwacht van Greville Janner geen koel en zakelijk betoog als hij spreekt over de oorlogsbuit van Nazi's. Hij is Lagerhuislid voor de Britse Labourpartij, schrijver, advocaat, expert op het terrein van industriële relaties en persoonlijke presentatie.

Maar als hij spreekt over de erfenis van het duizendjarige rijk dat Hitler zijn arische volk had beloofd, is hij in de eerste plaats overlevende en jood. Gepassioneerd en partijdig tot in het beenmerg, zegt hij zelf.

Het parlementslid wiens kamervragen dinsdag leidden tot publicatie van een Brits overheidsrapport over herkomst, omvang en historie van gestolen Nazi-goud, is een kleine verschijning met flinterdunne lippen. Maar zijn persoon kan een congreshal vullen en zijn stem reikt makkelijk tot de belendende panden. Aan niet meer dan de aanzet tot een vraag, heeft hij voor een antwoord voldoende. Kort en krachtig geformuleerd, gericht op maximaal effect, om geen kostbare tijd te verliezen. Janner is een kruisvaarder, hij heeft een missie, hij weet dat zes miljoen vermoorde joden meekijken over zijn schouder. Aarzeling, relativering en twijfels zijn luxes die hij zich niet kan permitteren. Hij gaat gehuld in moreel gelijk.

Wie niet weet waar hij voor staat, hoeft in Who's Who maar te kijken naar de litanie van huidige en vroegere functies. Campagnevoerder voor Russische joden, voorzitter van de Vereniging van Britse joden, president van het Joods museum, directeur en commentator van de Jewisch Chronicle Newspaper, voorzitter van de Holocaust Educational Trust, vice-president van het Joods Wereld Congres. Uit de toon vallen alleen zijn hobbies: zwemmen en goochelen.

Om zijn betrokkenheid bij de joodse zaak nog te onderstrepen, spuide hij gisteren op een bijeenkomst met buitenlandse journalisten in Londen ook nog staccato een aantal persoonlijke feiten. In de Tweede Wereldoorlog heeft hij meer dan de helft van zijn familie verloren. De meesten werden onder supervisie van de Nazi's door de lokale bevolking vermoord in een Litouwse synagoge. Na de capitulatie van Duitsland was Janner in het Roergebied betrokken bij onderzoek naar oorlogsmisdaden. Hij geldt als één van de drijvende krachten achter de Wet op de oorlogsmisdaden die Groot-Brittannië decennia later pas heeft aangenomen. “Heel mijn leven”, zei Janner gisteren, “word ik gedreven door het brandend verlangen om ervoor te zorgen dat recht wordt gedaan.”

Verhalen over fabelachtige vermogens die door plunderende Nazi's naar discrete Zwitserse banken zijn gesluisd, doen al een halve eeuw de ronde, zoals Gerard Aalders, medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie twee maanden geleden nog uitgebreid in deze krant heeft beschreven. Dat gegeven heeft in de loop van de jaren de fantasie van tientallen schrijvers geprikkeld. Zwitserse autoriteiten en banken hebben ook nooit ontkend dat Nazi-vermogen naar het neutrale hart van Europa gestroomd is. Maar volgens de financiële instellingen ging het om bescheiden bedragen. Suggesties van joodse instellingen dat de Zwitsers nog over miljarden dollars aan oorlogsbuit beschikten, wuifden ze weg als overspannen. Zoals ze ook de verzoeken om inzage en onderzoek systematisch tegenwerkten. Met de instelling in mei van een onafhankelijke onderzoekscommissie, die voor de helft bestaat uit deskundigen van het Joods Wereld Congres, hebben ze voor het eerst een begin met openheid gemaakt.

Bij het vermogen van joden en bezette naties dat door Zwiters ten onrechte aan de rechtmatige eigenaars zou worden onthouden, gaat het om goud, geld en waardepapieren. Geld en waardepapieren waren afkomstig van vermogende joden die na de Kristallnacht van 1933 een deel van hun bezittingen op geheime, genummerde Zwitserse bankrekeningen zetten. Duizenden nabestaanden zijn al een halve eeuw bezig om te proberen aan dat geld te komen. Het Joods Wereld Congres schat dat nog eens duizenden rekeningen nooit zijn opgeëist.

Bij het goud betreft het vooral de voorraden die door Duitsers in centrale banken van bezette landen werden aangetroffen en die vervolgens dankbaar werden gebruikt om de oorlogsmachinerie te financieren. Zo zouden de Duitsers uit Nederland voor 193 miljoen dollar aan goud hebben gestolen, uit België voor 223 miljoen. Details over wat er in en na de oorlog met dat goud is gebeurd, zijn de laatste weken pas naar buiten gekomen, zegt Janner, omdat de Amerikaanse autoriteiten vitale documenten hebben vrijgegeven. Volgens het parlementslid werpt ook het deze week verschenen rapport van het Britse ministerie van buitenlandse zaken een belangrijk nieuw licht op de zaak.

Uit dat rapport blijkt dat de geallieerde mogendheden uit pragmatische overwegingen oogluikend hebben toegestaan dat Duitse oorlogsbuit werd ondergebracht bij Zwitserse banken. Ze wilden Zwitserland niet in de armen van Duitsland drijven en niet riskeren dat de Duitsers ook het neutrale Zwitserland bezetten. Daarbij hadden ze zelf de diensten van de Zwitserse banken ook hard nodig. Een weinig verheffende opstelling, vindt Janner, maar in het licht van de oorlog niet onbegrijpelijk.

Vernietigend is hij in zijn oordeel over de geallieerde houding na de oorlog. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk gooiden het op een akkoordje met de Zwitsers. Wetend dat hun juridische positie niet erg sterk was, namen de drie landen in 1946 genoegen met een overdracht aan Zwitsers goud ter waarde van 58 miljoen dollar, te verdelen over de gedupeerde naties. Daarmee deden ze afstand van mogelijke, andere rechten op de Zwitserse goudvoorraad. Verder bepaalden ze dat gedupeerde particulieren geen aanspraak op het goud konden maken, vanwege de administratieve rompslomp die zo'n procedure kan veroorzaken.

Janner spreekt over “een volstrekt oneerbare, onwaardige, immorele overeenkomst”. De partijen gingen voorbij aan de rechten van de joodse oorlogsslachtoffers wier gouden tanden en trouwringen door Duitsers waren omgesmolten tot goudbaren, voorzien van het geantedateerde Reichsbank-stempel. Daarbij wekt het Britse overheidsrapport de indruk dat de Zwitsers voor 500 miljoen dollar aan gestolen goud mochten houden, een conservatieve schatting. “Als de Zwitsers tot de beschaafde volkeren gerekend willen blijven worden, doen ze afstand van het goud dat duizend maal besmeurd is”, meent Janner. “Dat goud komt toe aan hen die de Holocaust doorstonden, en aan hun erfgenamen, zo niet juridisch dan toch zeker moreel.”

    • Dick Wittenberg