Zeep in Nijmegen

In de tijd dat rokende schoorstenen nog stonden voor welvaart, hoorde bij iedere fabriek een karakteristieke geur. De fabrieken die nu nog draaien, doen dat vrijwel reukloos. Maar wie ooit gebrande koffie, ruwe cacao of de geur van de Zeepkeet opsnoof, vergeet die lucht nooit meer.

De Dobbelman stinkt niet meer. Anderhalf jaar geleden is de sproeitoren, de laatste verspreider van stank, op het dak van de zeepfabriek gesloten vanwege een veranderd productieproces. Sindsdien kunnen bewoners van de Nijmeegse wijk Bottendaal ongestoord bij iedere windrichting in hun achtertuin zitten. De sluiting van de toren markeert het einde van een soap-opera, die de gemoederen in de wijk decennialang heeft bezig gehouden.

Waspoeder kan kennelijk stinken, als het niet uit de eigen wasmachine komt. “Lekker ruiken of niet”, zegt buurtbewoner Pierre Blokker, “bij oostenwind was het niet te harden in mijn tuin.” Blokker ergerde zich zo aan de geur, dat hij eind jaren tachtig voorzitter werd van de Werkgroep D.U.W. (Dobbelman Uit de Wijk). Deze actiegroep liet door de Landbouwuniversiteit Wageningen en de Wetenschapswinkel een geurhinder- en angstbelevings-onderzoek uitvoeren. De uitkomst? “Men kon ons geruststellen dat we niet ter plekke werden vergiftigd. Want wie weet welke stofdeeltjes je allemaal inademt? De fabriek heeft toen een calamiteitenplan opgesteld en het voornaamste resultaat is geweest dat er openheid van zaken kwam.”

Het was niet de eerste keer, dat de fabriek in opspraak raakte. Eind jaren zestig bruiste het protest al door de straten van Bottendaal, net zoals het schuim volgens de overlevering uit de rioleringsputten kon opborrelen. In café De toekomst waren heftige discussies over de positie van de fabriek te beluisteren en leden van het Comité Schaderegeling Dobbelman deden gloedvol verslag van de overvolle tribunes in het gemeentehuis. Bottendaler Hans Alders, later minister van Milieu, was getuige van deze bijeenkomsten. Heeft hij er zijn milieubewustzijn aan overgehouden, zoals men in Bottendaal graag beweert? Of zoals oud president-directeur Reinier Dobbelmann (94) zegt: “Jongens als Alders hebben niet de slechtste opvoeding onder de geur van zeep gehad.”

“Dat zijn verklaringen achteraf”, reageert Alders, thans kersvers Commissaris der Koningin in de provincie Groningen. “Ik heb dankzij de dominante aanwezigheid van de fabriek in de buurt iets over maatschappelijke verhoudingen geleerd. Zonder overwerk geen vlees op het bord.”

Aan de geur van waspoeder heeft Alders een levenslange associatie met zijn jeugdjaren overgehouden. “Onontkoombaar”, bevestigt hij volmondig. De zeeplucht herinnert hem aan de enorme knollen voor de wagens van Dobbelmann, aan de metershoge brokken schuim, die weleens door de straten dwarrelden en de witte laag poeder, die 's ochtends op de auto's en de huizen kon liggen. 'Sneeuw in september' betekende in Bottendaal geen literaire verwijzing, maar een bizarre werkelijkheid als gevolg van een technische storing in de fabriek.

In de eerste helft van deze eeuw leidde dat niet tot paniek. “Dan mochten we de auto gratis in de fabriek laten wassen”, vertelt Mimi Smulders. “We kregen ook een vergoeding voor nieuwe vitrages, als er spikkeltjes op zaten.”

In die tijd bestond de symbiose tussen stad en industrie nog. Een rokende schoorsteen in zicht betekende werkgelegenheid en welvaart. Producenten lieten trots een overdreven grote fabriek op hun verpakkingen afbeelden. “Tegenwoordig is dat uit den boze”, verklaart plantmanager J. Tigchelaar van Kortman Intradal, vestiging Nijmegen, achter welke vage aanduiding de beroemde fabriek van Dobbelman heden ten dage schuil gaat. “De consument wil niet herinnerd worden aan het productieproces, dat aan zijn consumptiegenot vooraf gaat. Productie is een noodzakelijk kwaad geworden, belastend voor het milieu.” Tigchelaar somt het aantal milieumaatregelen op dat de fabriek in de afgelopen decennia heeft genomen. Hij probeert geen verwijt in zijn woorden te leggen, maar slaagt daar maar ten dele in. Het is ook bijna triest, zoals de geurloze en in zichzelf gekeerde fabriek zo onopvallend mogelijk probeert te blijven bestaan op de plek, waar hij al honderd en één jaar is gevestigd. “Wij waren hier het eerst”, zegt Tigchelaar nog. De enige status die het gebouw nu nog heeft is die van industrieel monument. Slechts de letters van de beroemde zeepnaam op de gevel herinneren aan de glorie van weleer. De plaats van vestiging heeft haar betekenis verloren.

“Wat ons betreft kunnen we verhuizen”, antwoordt Tigchelaar, “maar niet zonder subsidie van de gemeente.” Ook oud president-directeur Reinier Dobbelman hecht niet aan de plek, ook al is hij nog steeds trots op de architectuur van de voorgevel. “Sinds 1733 wordt er al zeep gemaakt in Nijmegen. Ik vind dat de zeepfabriek wel in de gemeente moet blijven, maar op die plek, ach... Ik had tijdens de Tweede Wereldoorlog al vier hectare grond gekocht in geval we zouden worden verwoest.”

Mimi Smulders kan zich nergens meer druk over maken. “Dat gezeur is gekomen met de komst van de studentenmensen”, windt ze zich twintig jaar na dato nog op. “De Zeepkeet, zo noemden we de fabriek, heeft nooit gestonken. Het ruikt gewoon alsof je je haar net hebt gewassen.”