'We hebben een politieke schuld'; Voorzitter klimaatcommissie

DEN HAAG, 12 SEPT. Heeft de tijdelijke commissie klimaatverandering gisteren een rapport gepresenteerd dat de politiek dwingt tot maatregelen tegen het broeikaseffect als gevolg van menselijk handelen? Of zijn die maatregelen ook straks weer afhankelijk van zaken als maatschappelijk draagvlak, financiële haalbaarheid en de belangen van de distributiesector?

GPV'er E. (Eimert) van Middelkoop, voorzitter van de commissie, weet het niet. De tijd moet het leren, zei hij bij de presentatie van het rapport, waarvoor in elk geval veel aandacht bestond bij de pers en in de uitgeverswereld, die het commercieel gaat uitbaten. Het onderzoek was ook bedoeld om meer belangstelling te kweken voor het vraagstuk van de klimaatverandering, dus dát is in ieder geval gelukt.

Maar wie verwacht had dat er concrete aanbevelingen in het rapport zouden staan, komt bedrogen uit. De commissie concludeert dat er minder onzekerheid over het verband tussen menselijk handelen en klimaatverandering bestaat dan zij eerst had gedacht: dat verband ís er. Er moet wat gebeuren. Ook in Nederland, waar de uitstoot van broeikasgassen in absolute zin gering is - minder dan één procent van de mondiale vervuiling. Volgens de commissie kan die uitstoot de komende decennia met tientallen procenten omlaag.

Hóe dat precies moet, zegt de commissie echter niet. Zij stelt voor potentiële maatregelen te toetsen aan de criteria haalbaarheid, kosten en baten, draagvlak, invloed op andere milieu-factoren en effect. De ene politieke partij kan daarbij tot andere gevolgtrekkingen komen dan de andere. Volgens Van Middelkoop is dat geen in het rapport ingebouwde vrijblijvendheid. Een partij die bepaalde maatregelen afwijst, moet zwaarder inzetten op andere.

Stel dat één of twee partijen een strenge aanpak van de automobiliteit afwijzen, maar kernenergie omarmen, en twee andere partijen doen precies het omgekeerde. Dan is dat toch dezelfde politieke patstelling als altijd?

“Als commissie, met dit rapport, kunnen we zoiets inderdaad niet voorkomen. Wél kan de politiek vanaf nu op onze bevindingen worden afgerekend. We hebben, de volksvertegenwoordiging heeft de overtuiging neergelegd dat het noodzakelijk is maatregelen te nemen tegen de onnatuurlijke opwarming van de atmosfeer. Dan moet er dus linksom of rechtsom iets gebeuren, anders is dat het falen van de politiek.

“We hebben laten zien hoe groot onze milieuschuld is en dat completeren we dan met een politieke schuld.”

U schrijft dat er snel maatregelen getroffen moeten worden, maar ook dat het voor de hand ligt die maatregelen in internationaal verband te nemen, waar de molens vaak langzaam draaien. Is dat niet met elkaar in tegenspraak?

“Het is geen tegenstelling, eerder een spanning. Je moet rekening houden met de concurrentiepositie van bedrijven. Niemand is erbij gebaat dat milieumaatregelen bedrijven de grens over jagen. Daar word je economisch niet beter van, maar het milieu gaat er ook niet door op vooruit. Wij denken dat veel bereikt kan worden met technologische vernieuwingen die al bekend zijn - en waarvan alleen de terugverdien-effecten verkort moeten worden. Dan is er ook geen sprake van economische afbraak.”

U legt zich als commissie dus neer bij het door het kabinet aangehangen distributieland-concept. Toch wordt vaak betoogd dat alleen door een radicaal andere opzet van onze economie de milieuproblemen kunnen worden opgelost.

“Er is een grens aan wat je op de schop kunt nemen. Dat distributieland-concept heeft te maken met onze ligging, met historie en met economische motieven. Maar dat milieudoelen voortdurend niet worden gehaald, komt door dat concept, ja.

“Ook dat is een spanning, waar we als politiek uit moeten zien te komen. En dan hoef ik als commissie-voorzitter niet diep in mijn hart te kijken om te kunnen zeggen dat de discussies over mobiliteit en energiegebruik eens het theoretisch niveau zullen moeten verlaten. Dat is gewoon een feit.”

Uw commissie rapporteert unaniem. Was dat nodig? Wellicht had het rapport aan scherpte gewonnen wat het aan eensgezindheid had verloren.

“Ik wilde als voorzitter graag een gezamenlijke analyse en een gezamenlijk standpunt over eventueel te nemen maatregelen. Dat is gelukt. Het materiaal, de kennis die we tijdens de hoorzittingen hebben verworven, drong zich onontkoombaar aan ons op.

“Het is waar dat we niet als een soort schaduwministerie van milieu zijn gekomen met een lijst concreet te nemen maatregelen. Maar het is ook niet alleen vrijblijvendheid. We zijn halverwege uitgekomen. Het gezamenlijke is dat we nu allemaal de ernst van het vraagstuk onderkennen. Het is onze bouwsteen aan het vormen van een internationaal draagvlak voor maatregelen tegen de klimaatverandering.”