Vis in Elburg

In de tijd dat rokende schoorstenen nog stonden voor welvaart, hoorde bij iedere fabriek een karakteristieke geur. De fabrieken die nu nog draaien, doen dat vrijwel reukloos. Maar wie ooit gebrande koffie, ruwe cacao of de geur van de Zeepkeet opsnoof, vergeet die lucht nooit meer.

Wie in Elburg uit de streekbus stapt, ruikt een typische polderlucht van mest, hooi, koeien en gras. Soms waait daar ineens een vleugje gerookte paling doorheen, zo vaag dat je denkt dat je het je maar verbeeldt. Sinds de inpoldering van Oostelijk Flevoland in 1956 zijn er in Elburg twee rokerijen overgebleven, aan de kade van wat nu een bescheiden jachthaventje is. Een paar zeilboten liggen suffig te dobberen waar ooit een machtige vloot van zeventig botters zijn vangst kwam lossen.

Visserszoon Jan van Triest, beter bekend als 'Jan van Nen', naar zijn moeder Nenna, weet nog precies hoe dat eruit zag. In 1916 werd hij geboren in Elburg, en nu, op zijn tachtigste, woont hij er nog steeds. Met zijn grote gestalte en zijn enorme blauwe ogen ziet hij er uit als de droom van een sociaal-realistisch kunstenaar, zijn portret zou niet misstaan in de metro van Moskou.

Van Triest heeft op veel manieren zijn geld verdiend, maar het mooiste beroep dat hij ooit uitoefende was dat van veilingmeester, 'teller', in de visafslag van zijn eigen dorp. Van 1944 tot 1954 veilde hij “oal” (paling). In 1941, net getrouwd, viste hij op de botter van zijn vader, maar de toekomst zag er somber uit. Zijn zwager wist dat er een afslager werd gezocht. “Dat gaf meer zekerheid, in dienst van de gemeente. Maar wennen was het wel, met al die boekhouding.”

Het beste jaar van de afslag moest toen nog komen. In 1947 werd er op de veiling meer dan een miljoen gulden omgezet, wat niemand had verwacht. Met de komst van de Afsluitdijk in 1932 waren veel vissers naar elders vertrokken, om bijvoorbeeld in de chocoladefabriek aan de Zaan of in de mijnen van Limburg te gaan werken. “Iedereen dacht dat is nu dood water, daar komt niets meer van. Maar in de fabrieken gingen ze dood, zo'n volwassen visser die de hele dag pakjes boter in dozen staat te doen.” Haring, bot, garnalen en ansjovis zwom er niet langer, toen het water verzoette, maar de paling in de voormalige Zuiderzee nam dankzij de dijk toe. Er kon op gevist worden met kuilnetten, 'kubben' (fuiken) en 'hoeken' (een lange lijn met een haak). Ook de uitgezette snoekbaars vermenigvuldigde zich snel. En er kon gevist worden op 'nest', kleine spierinkjes die als eendenvoer dienden. Veel vissers keerden terug.

Op een doorsnee dag op de veiling begon Van Triest om acht uur met het uitrekenen van wat er de vorige dag aan geld was omgegaan. Om een uur of tien liepen een voor een de botters binnen. Als de vangst groot was, werden er lootjes getrokken om uit te maken wiens vis als eerste geveild werd, “dat was het eerlijkste.” Vervolgens luidde Van Triest de bel, die bovenop de veilinghal onder een afdakje hangt. “Soms wachtten we nog op de kopers uit Harderwijk, als daar niets gevangen was. Dan werd iedereen ongeduldig. Jongen, waarom sla je nou niet af! Als het eindelijk begon, riep ik: de paling loopt van twee kwartjes af.” Dan draaide de klok en begon het bieden. De gemiddelde prijs per pond was zo'n drieënveertig cent, en Van Triest heeft zelfs meegemaakt dat er verkocht werd voor twintig cent. Na de oorlog gingen de prijzen omhoog, tot rond de ƒ 3,- per pond. Tegenwoordig kost gerookte paling in de vishandel al gauw veertig gulden het pond.

In de veilinghal stonk het zelden, omdat de paling nog leefde als hij werd verhandeld. Een botter had drie ruimen, de vis zwom in een trog met water. Na aankoop lieten de handelaren de vissen eerst rondkronkelen in een bak met zand of zaagsel, zodat ze zichzelf verlosten van hun slijmlaag. Daarna werden de ingewanden verwijderd en stak men de vissen aan 'speten' (spiezen) die in 'de hang' (de schoorsteen) gebracht werden. Zo stoomden ze gaar in de rook van smeulende houtkrullen en spaanders. “Dat geeft wel een beetje reuk, maar vies is het niet”, zegt Van Triest, “al schijnen ze daar in Harderwijk tegenwoordig anders over te denken. Ik dacht wel dat paling de lekkerste vis is die er bestaat. Maar andere vis, zoals snoekbaars, stinkt ook niet als het vers is. Dat kun je zien; als de kieuwen rood zijn, ruikt het gewoon naar vis, maar bij witte kieuwen is de ontbinding begonnen en dat ruik je natuurlijk wel.”

De visafslag in Elburg sloot op 1 mei 1958, vier jaar nadat Jan van Triest zijn bestaan als veilingmeester verruild had voor een baan als gemeentebode. Door de inpoldering raakte Elburg afgesloten van het open water en met de visserij verdween ook de afslag. Letterlijk, want een boer uit Oosterwolde kocht het mooie houten loodsje uit 1916 voor ƒ 450,-, brak het af en nam het mee. Hij bouwde het weer op op zijn eigen land en hield er zijn varkens in. Gelukkig maakte de neef van Jan van Triest, Wim van Norel, die visserij-fan is en uitgebreid onderzoek deed naar de verdwenen visserij van zijn dorp, in 1985 een fietstochtje langs Oosterwolde. Hij kocht de oude schuur en bouwde haar weer op waar zij hoorde: aan de kade in Elburg.

    • Judith Eiselin