Van woonkazerne naar tuindorp

Steeds meer oude fabrieken, gemalen, watertorens en andere plaatsen van bedrijvigheid worden voor sloop behoed. Ze krijgen een nieuwe bestemming als museum, restaurant of theater en zijn daardoor altijd, ook buiten de Open Monumentendag, toegankelijk.

Waarom de revolutie nooit is uitgebroken in Maastricht zal wel altijd een raadsel blijven. Aan het eind van de vorige eeuw zuchtten in de Zuidlimburgse stad zo'n tweeduizend arbeiders onder het juk van de grootste en hardvochtigste industrieel van Nederland: Petrus Regout. In diens glas- en aardewerkfabriek De Sphinx werkten 's nachts 'pottemennekes' van amper twaalf jaar oud en kropen mannen halfnaakt gloeiendhete ovens in om deze leeg te halen.

De huisvesting van de Sphinx-arbeiders was vaak even schrijnend als de omstandigheden op 'ut febrik'. Zo verrees in 1863 recht tegenover de fabriekspoort een brandveilige woonkazerne met tweekamerwoningen, waar in de loop der tijd zeventig gezinnen alsmede een lijkenhuis in werden gestouwd. In 1938 ging de Groete Bouw, zoals het mensenpakhuis in de volksmond heette, tegen de grond als 'monument van schande'.

Wie nu nog authentieke, zij het wat meer 'sociale' arbeiderswoningen van de Sphinx wil zien, moet naar het Statenkwartier, de buurt schuin achter de fabriek. In de Capucijnenstraat, de Herbenusstraat en Hoog Frankrijk staan nog hele woonblokken van een eeuw geleden. Poppenhuisjes lijken het, tegen de heuvel opgebouwd, met een voordeur en één raam op de begane grond, een raam op de eerste verdieping dat er bij de bouw was uitgelaten om warmte te sparen, en een kleine zolder. De woningen hebben geen beschermde status, zodat de bewoners er in de loop van deze eeuw driftig aan vertimmerd hebben.

Toch herinnert er nog genoeg aan het einde van de negentiende eeuw. Aan de voorkant komen de gasleidingen uit de muur om in de stoep te verdwijnen. Een aantal woningen heeft nog een (aardappel)kelder van anderhalf bij drie meter waar je niet rechtop kunt staan. Ronduit historisch is de beerput waar sommige huizen nog op zijn aangesloten. Tot 1 januari 1997 lozen ze op een reservoir onder één van de achtertuinen, daarna wordt ook hier riolering aangelegd.

Dat zelfs in deze omgeving de schoonheid niet helemaal was verdwenen, bewijst de zwaar metalen gasklok die op de muur aan de overkant staat. Het antieke, ronde uurwerk met de statige cijfers en de twee 'schoorsteentjes' aan de bovenkant zou je eerder verwachten op het perron van een Parijs' treinstation dan onder de rook van wat tegenwoordig Sphinx Sanitair heet. Een jaar geleden besloot de gemeente deze en andere gasklokken - die inmiddels al lang op elektriciteit werken - te verwijderen. Maar de buurt protesteerde zo hevig dat ze drie maanden geleden weer zijn teruggeplaatst en meteen opnieuw geverfd.

Mevrouw Leenders-Riken (82) groeide als dochter van een stoker op in een (inmiddels gesloopte) arbeiderswoning in het Maagdendries, aan de rand van het Statenkwartier. “Met mijn vier broers sliep ik op het zoldertje, onze ouders sliepen in de keuken. We hadden nog geen echte trap, we moesten over wat planken naar boven klimmen, en op een dag durfde mijn moeder daarover niet meer van het zoldertje naar beneden. Toen is 'schele Pierre' (de zoon en opvolger van Petrus Regout, red.) langsgekomen en daarna is er een echte trap in gebouwd.”

Toch was de familie Leenders niet ontevreden met het huisje. “Wij waren niets gewend, hè. Bovendien zat er een tuintje bij. Het was in ieder geval heel wat beter dan wonen op vijf hoog achter in de Groete Bouw.”

De Groete Bouw, dat Regout in 1864 had laten bouwen door de Akense architect Wickop, was de eerste cité ouvrière die in Nederland (naar Parijs' voorbeeld) verrees: een complex woningen speciaal ontworpen voor de arbeiders van één fabriek. In de hierop volgende decennia stapte men af van dit 'mensen stapelen' en liet een aantal fabrikanten zijn arbeiderswijken ontwerpen als tuindorpen die ook architectonisch interessant waren. “Dit soort initiatieven paste binnen de discussie over de Sociale Kwestie, zoals die eind vorige eeuw werd gevoerd”, vertelt Erik Nijhof, docent sociaal-economische geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en verbonden aan het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) in Zeist. “Toen in 1901 de Woningwet tot stand kwam, werd het ook veel gewoner om voor arbeiders te gaan bouwen.”

Nijhof legt uit dat er verschillende redenen waren voor fabrikanten om een speciale arbeiderswijk neer te zetten. “Een bedrijf als Stork in Hengelo ontwikkelde zich in korte tijd tot een fabriek voor gespecialiseerde machinebouw. Daarvoor hadden ze hoog opgeleide vakmensen nodig, en om die aan zich te binden, lieten ze speciaal aangezochte architecten in Engelse cottage-stijl de wijk 't Lansink bouwen. In Rotterdam lag de werf van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij op Heyplaat, een vrij geïsoleerd, onbebouwd stuk grond. Maar omdat ze vaak arbeiders direct op afroep nodig hadden, hebben ze daar een wijk gerealiseerd in de Amsterdamse Stijl.”

Het oudste, en misschien wel mooiste voorbeeld van sociale, meer comfortabele arbeidershuisvesting is het Agnetapark in Delft. Het weelderige tuindorp dat gistfabrikant Jacques van Marken daar in 1884 liet aanleggen, doet in niets denken aan het grauwe industrialisme uit Maastricht. De befaamde landschapsarchitect Louis Paul Zocher (ontwerper van het Amsterdamse Vondelpark) bedacht in opdracht van Van Marken een tuinstad, omarmd door een park met vijvers, treurwilgen en rozenperken. Het Agnetapark, zoals Van Marken de wijk naar zijn vrouw had genoemd, lag direct naast de fabriekspoort en bevatte negentig arbeiderswoningen. Geen woonkazernes of bakstenen plaggenhutten, maar vier-onder-één-kap-villa's met driehoekige dakkapelletjes en een groene heg langs de voortuin. Nog altijd waan je je tijdens een wandeling door de buurt in een riante buitenwijk. Slechts de weeë putlucht die over het Agnetapark hangt, herinnert de bezoeker er op elk moment aan dat achter de wilgen de schoorstenen van Gist-Brocades verrijzen.

Van Marken was een sociaal bewogen werkgever, maar wel een van het paternalistische slag. Dus: woningen aangesloten op riool en waterleiding, met voortuin, maar zonder het 'pronkkamertje' (voor mooie meubelstukken of zondags servies) waar veel arbeidersvrouwen aan verknocht waren. 'Geen weelde, maar het strikt noodige', luidde het devies. Naast de grote vijver kwam een feestzaal, de Tent (tegenwoordig een restaurant/partycentrum), waar onder supervisie van Jacques en Agneta dans- en muziekavonden werden gehouden. Voor zichzelf en zijn echtgenote liet de fabrikant middenin het Park de villa 'Rust Roest' bouwen. Maar juist deze vorm van controle, gevoegd bij de horden bezoekers uit binnen- en buitenland die aapjes kwamen kijken, zorgde ervoor dat de arbeiders slechts met moeite de woningen in te krijgen waren. Al zijn goede bedoelingen ten spijt stierf Van Marken in 1906 gefrustreerd en ongeliefd. 'Rust Roest' werd in 1981 gesloopt, het Agnetapark heeft inmiddels de status van historisch monument.

In de directe omgeving van het hoofdgebouw van de Sphinx heeft de werkgroep Geschiedenis Arbeidersbeweging Limburg een historische rondwandeling uitgezet, die beschreven wordt in het handzame boekje 'Van pottemennekes en de Heilige Geest', te verkrijgen bij de Maastrichtse boekhandels of de Werkgroep Geschiedenis Arbeidersbeweging Limburg (GAL), Postbus 2725, 6201 JA Maastricht.

Bij de VVV, Markt 83-85, Delft is een foldertje ( ƒ 0,50) te koop over het Agnetapark.