Sportarts wint langzaam terrein in gezondheidszorg

AMSTERDAM, 12 SEPT. De gespecialiseerde medische behandeling van sporters is tegenwoordig niet meer voorbehouden aan topatleten. De sportarts wint langzaam maar zeker terrein in Nederland. Als het aan de sportartsen ligt moet sportgeneeskunde in de toekomst voor elke sporter toegankelijk zijn.

Bovenstaande gegegevens blijken uit een onderzoek van de sportkoepel NOC*NSF in samenwerking met het wetenschappelijk onderzoeksinstituut TNO. Het onderzoeksrapport over de waardering en de plaats van sportartsen in ziekenhuizen is vanmorgen in Amsterdam overhandigd aan staatssecretaris Terpstra (VWS) tijdens een symposium over sportgeneeskunde.

De vierjarige opleiding voor sportarts is opgezet in 1986. De onderzoekers spreken van een scholing die uniek is in Europa. Slechts zestien Nederlandse ziekenhuizen (tien procent van het totaal) maken gebruik van een sportarts, van wie de meesten slechts een beperkt aantal uren in de week werkzaam zijn. In totaal telt Nederland zeventig sportartsen. Alleen het AZU in Utrecht en het Sophia-ziekenhuis in Zwolle maken permanent gebruik van hun specialisme.

“De meeste sportartsen zijn onder collega's van andere disciplines nog vreemde eenden in de bijt. Ze moeten hun meerwaarde nog bewijzen”, zegt dr. F. Backx, mede-auteur van het rapport. Backx is als sportarts verbonden aan NOC*NSF. “Die meerwaarde begint de directies van de ziekenhuizen gelukkig wel op te vallen. Ze spreken van een specialisme dat eerder niet binnen de muren van de klinieken aanwezig was.”

Een sportarts onderscheidt zich van zijn collega's door de behandeling van de weke delen, zoals spieren, pezen en banden. “Door onze specialisatie op dit gebied en onze band met de sport kunnen wij problemen meestal veel sneller in kaart brengen en ze vervolgens ook sneller oplossen dan dat nu het geval is.”, zegt Backx.

“Uit ons onderzoek blijkt dat patiënten veel problemen hebben met de lange duur van de behandeling in het ziekenhuis en met het onbegrip van veel artsen om de sporters snel op de been te helpen. Als sportartsen begrijpen wij dat sporters van alle niveaus zo snel mogelijk weer aan de slag willen. De sportarts stelt zich helemaal in om de patiënten zo snel mogelijk fit te krijgen en hij beschikt daarvoor ook over de specialistische kennis.”

Aan het onderzoek deden 150 patiënten mee. De meesten zijn zeer tevreden over de behandeling van sportartsen. Ze roemen onder meer het begrip van de arts, de snelheid van de behandeling en de goede resultaten vergeleken met eerdere behandelingen, Tien procent van de respondenten was ontevreden, voornamelijk wegens de tegenvallende resultaten.

Volgens de ondervraagde ziekenhuis-directies kleeft aan de opkomst van de sportarts één groot probleem: het financieren van de nieuwe specialisten. Volgens de besturen van de ziekenhuizen mag het functioneren van de sportarts niet ten koste gaan van de andere voorzieningen in het ziekenhuis. Ook de Zorgverzekeraars verstrekken nu nog geen extra budget voor de sportarts.

Onderzoeker Backx verwacht toch dat zijn collega's de komende tien jaar een vaste plaats in de gezondheidszorg zullen innemen. “We moeten dan wel onze eigen broek ophouden. Ik verwacht dat de meeste sportartsen in de toekomst een eigen praktijk opzetten, net als je tegenwoordig ziet bij veel andere luxe vormen van geneeskunde, zoals medisch niet noodzakelijke plastische chirurgie.” (ANP)