Onderwijsidealen op een koopje

OEGSTGEEST. “Jullie hebben nog tien minuten om te rekenen”, zegt meester Tom van Rongen. De kinderen van groep zes van de Oudenhof-Bokkesprong-school zitten gebogen over sommen. Fluisterend helpen de leerlingen elkaar. “Rekenen vinden ze meestal leuk”, zegt Van Rongen. Rustig beantwoordt hij de vragen van leerlingen die zich kwiek tussen de banken door naar hem toe wringen.

Het vijftien jaar oude schoolgebouw in een Oegstgeestse nieuwbouwwijk is licht en modern. Geen tochtige natte-jassen-gangen, geen donkere, intimiderende entree. De klaslokalen zijn gebouwd rond een hal met tafels, spelletjes en computers. Het schoolontwerp stamt uit de tijd van hoge toekomstverwachtingen: de kunstige geometrie van het lokaal en de lichtval laten niemand echt achteraan zitten.

De tijd van noodscholen was in de jaren zeventig voorbij: nu hoefde alleen nog de laatste sprong te worden genomen naar het perfecte onderwijs, waarin iedere leerling individueel aan bod zou komen. Maar persoonlijke aandacht voor de leerling kost geld en dat hebben de overheid en de Nederlandse samenleving er sinds de jaren tachtig niet meer voor over.

In Van Rongens lokaal zijn 37 leerlingen geperst. Binnenkort komt er zelfs nog één bij. Wekelijks komen hooggestemde richtlijnen binnen uit Zoetermeer, maar de bijbehorende middelen ontbreken. Een moderne onderwijzer improviseert, net als zijn voorgangers uit de arme opbouwjaren vijftig. “We moeten elk kind individueel begeleiden. Dat is mooi maar het kan niet, want je hebt een te grote klas”, zegt lerares H. Wiersma, met een klas van 31 kinderen.

Van Rongens lessenaar staat in een zee van banken. Er is nauwelijks loopruimte over. Toneelstukjes kunnen niet meer voor de klas worden opgevoerd. Toch staat de Oudenhof-Bokkesprong-school als goed bekend. De grootte van de klassen speelt geen rol in de overwegingen van de ouders in Oegstgeest, want elke school in de wijde omtrek heeft te veel kinderen. De ouders klagen er wel veel over. “Wat doe je eraan?”, zegt S. Niesten, een moeder die in de mediatheek werkt. “Alleen verhuizen helpt. Ik denk dat ouders veel geld over zouden hebben voor een privéschool met kleine klassen.” De meeste ouders schikken zich en proberen de lichtpuntjes van een grote klas te vinden: de leraar is goed, de andere kinderen zijn zo aardig.

Vooral niet-achterstandswijken kampen met afgeladen klaslokalen. Het ministerie van Onderwijs wilde armen en allochtonen speciale steun geven door hun schoolklassen te verkleinen. Op zich een verstandige maatregel. Maar de speciale steunmaatregelen mochten de overheid niks kosten, dus werd het geld uit de scholen in meer welgestelde wijken weggehaald. Middenklassewijken zitten boven op de wip. Verlaging van de klassennorm in de wijk De Kooi in Leiden staat tegenover verhoging in Leiden-West of Oegstgeest. Terwijl voor kantoorwerkers de ruimte tot op de kubieke meter wordt berekend, doet de benauwdheid in een schoollokaal er niet toe.

Met steun van goed opgeleide ouders komen de meeste Oegstgeestse leerlingen ook wel mee in grote klassen. Het regent

-adviezen in de Oudenhof-Bokkesprong-school. Maar voor de zwakkere leerlingen hebben onderwijzers in een grote klas niet veel tijd meer over. “Ik kom armen en benen te kort”, zegt Van Rongen. De enkele nieuwe klasse-assistenten, die nog moeten worden opgeleid, “zijn een druppel op de gloeiende plaat”.

Leerkrachten van de school gingen onlangs op studiereis naar Denemarken en ze vergaapten zich aan de ruime klaslokalen, de kleine lesgroepen en het nieuwe onderwijsmateriaal. Dergelijke luxe kan een rijk land als Nederland zich niet permitteren. Ondanks alle vernieuwingsretoriek zijn de uitgaven per basisschoolleerling ook de afgelopen jaren nog gedaald.

Voor alle betrokkenen - ouders, leerkrachten, kinderen - is het evident: kleine klassen zijn beter dan grote. Toch heeft het ministerie van Onderwijs zijn bezuinigingen lange tijd verdedigd met de stelling dat 'onderzoek heeft uitgewezen' dat de grootte van de klas niet zo belangrijk is voor goede resultaten. Dat onderzoek ging meestal in opdracht en onder supervisie van het ministerie zelf, dat zijn voorkeur voor bezuinigingen niet geheim houdt. De vraagstelling is geheel door beleidsplannen ingegeven. Sinds een dergelijk “onderzoek” in de jaren zeventig, waarbij hospitanten vragenlijsten invulden over hun indruk van verschillende soorten klassen is 25 het richtgetal voor de ideale klas. In welgestelde wijken ligt het gemiddelde al lang hoger.

Een klas van 25 is ook al groot, volgens een longitudinaal experiment in de Amerikaanse deelstaat Tennessee. Daaruit blijkt dat leerlingen uit de laagste klassen met 13 tot 17 kinderen een jarenlange voorsprong konden opbouwen op leerlingen uit klassen met 22 tot 25 kinderen. De 'loopbanen' van 6.500 leerlingen in 330 klassen in 80 scholen werden met elkaar vergeleken. Een dergelijke vergelijking tussen twee groepen van tevoren geselecteerde klassen is in Nederland nog nooit gemaakt.

Naar aanleiding van de publicatie van de resultaten van het Amerikaanse onderzoek in de Volkskrant besloot de PvdA-fractie kleinere klassen te steunen. Nederlandse Kamerleden durven hun eigen ogen pas te geloven als wetenschappers daarvoor hun fiat hebben gegeven. Een commissie studeert nu op de ideale grootte van de klassen. Maar een enkele aanbeveling hoeft nog niet te leiden tot nieuwe uitgaven. Als de mensen liever een sierbrug of groot stadhuis laten aanleggen dan het onderwijs op peil houden, blijft het druk in de lokalen van de basisschool.