Jongensdromen met karakter

Niet bekend

José Baks (30 jaar, hbo-j, doet uitzendwerk) woont in Enschede in een voormalige textielfabriek. “Ik fietste er regelmatig langs en dacht: Als ik hier eens zou kunnen wonen.” Romilda van Oest uit Soest (42 jaar, weduwe, mede-eigenaresse van een supermarkt met twee kassa's) bezit een watertoren. “We reden er langs en mijn man zei: Dit wordt onze woning.”

Maarten Winnubst (35 jaar, gesjeesd student bouwkunde, ontwerper bij een display-bedrijf) woont - en werkt - met zijn vriendin in een Heemsteedse bollenschuur van 120 meter lang. 'Een jongensdroom' heette het in het verhuisbericht.

Drie Nederlanders die in een gebouw wonen dat gerekend wordt tot het industrieel erfgoed.

Het is onduidelijk hoeveel er nog meer zijn als zij. Aantallen en percentage van industriële gebouwen die door welke vorm van hergebruik ook aan de sloophamer zijn ontkomen, ontbreken. Het Nederlandse industriële erfgoed is nooit goed in kaart gebracht.

Ed. Schulte van de Stichting Herbestemming Industrieel Erfgoed heeft een aardig bestand van hergebruikte industriële gebouwen in zijn computer, maar kan niet meer zeggen dan dat dit het topje van een ijsberg moet zijn. Van de ruim negentig pakhuizen in zijn bestand zijn er ruim veertig bewoond, dat geldt ook voor zo'n vijftig van de meer dan 270 fabrieken met een nieuwe bestemming en zestien van de ongeveer zestig watertorens. Schulte, tevens universitair docent aan de TU Eindhoven, heeft een Onderzoeksmodel Hergebruik Gebouwen ontwikkeld, dat een snelle analyse van eventuele nieuwe functies van een industrieel gebouw mogelijk maakt.

Zijn model maakt deel uit van een methode, die door TU Eindhoven en het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) is ontwikkeld om industrieel erfgoed te promoten en actief voor nieuw gebruik op de markt te brengen. Daarbij hoort ook het gericht zoeken naar mogelijke nieuwe gebruikers. Voorlopig blijft het bij goede bedoelingen, omdat geld en mankracht ontbreken.

Spoorwegstations, watertorens, fabrieken, postkantoren en pakhuizen die hun oorspronkelijke functie verliezen, komen nodeloos leeg te staan. Als een gebouw toch een nieuwe bestemming krijgt, is dat meestal niet te danken aan de eigenaar of de overheid.

De eigenaar, zegt Schulte, wil alleen maar van het gebouw af en overheden raken de grond sneller kwijt als er niets op staat en zijn daarom tot sloop geneigd. Het is vaak een particulier of een stichting die zich uiteindelijk voor behoud inzet.

Bij Romilda van Oest (42) begon het ruim tien jaar geleden met haar schoonmoeder. Zij las in De Soester Courant dat de plaatselijke watertoren al twee jaar buiten gebruik was en dat baldadige jeugd geregeld de ramen ingooide. Nog dezelfde avond reden Romilda en haar man, die enkele jaren geleden is overleden, langs de toren.

De watertoren is een van de ruim 260 watertorens die vanaf 1856 zijn gebouwd voor de centrale drinkwatervoorziening. Waterleidingbedrijven beschouwden hun hoog boven alles uitstekende reservoirs als visitekaartjes en besteedden daarom veel aandacht aan het uiterlijk. De watertoren van Soest is in 1931 ontworpen door H.F. Mertens (ook architect van het voormalige Unilevergebouw in Rotterdam) en valt op door strak en sober metselwerk. De toren ligt midden in een lommerrijke villawijk.

Romilda en haar man zochten contact met de Watermaatschappij Nederland (WMN). Huren of pachten bleek niet mogelijk te zijn, kopen wel, al moesten ze beloven dat ze nooit het koopbedrag bekend zouden maken. Even dreigde een lid van de Soester SGP/RPF/GPV-fractie - “nog wel een partijgenoot” - roet in het eten te gooien. Als het aan hem lag, werd de watertoren afgebroken zodat er een echte woning neergezet kon worden. Hij vond geen medestanders, de koop ging door en het echtpaar Van Oest begon aan de verbouwing. Ze deden veel zelf, altijd in de avonduren, na sluiting van hun supermarkt. De verbouwing duurde drie jaar, inclusief de aanleg van waterleidingen en elektriciteit, de verplaatsing en aanleg van houten vloeren en het openbreken van dichtgemetselde ramen.

De watertoren staat inmiddels op de gemeentelijke monumentenlijst, in de tuin staat een zonnewijzer en boven de deur is een luifel aangebracht. Een lift ontbreekt in de bijna vierentwintig meter hoge toren. Na een monumentale hal met orgel leiden trappen naar de - elk boven elkaar gelegen - woonkeuken, woonkamer met harmonium, slaapkamer met badkamer en linnenkamer. De watertank van plaatstaal, met een inhoud van 200 kubieke meter, bestaat ook nog en herbergt een kamer met een collectie oude klokken en een privémuseum/winkeltje. Op de zevende verdieping is een rommelruimte. Tot slot is er het dak, dat een weids uitzicht biedt.

Het uitzicht was voor een buurtbewoner indertijd reden voor felle protesten in de plaatselijke krant: “Ze kunnen vanuit de toren zo in onze soep kijken. Meer dan eens zie ik een gezelschap met een verrekijker op de toren staan.” Hij eiste in een bezwaarschrift dat het echtpaar Van Oest een glaswand op de toren en matglas in hun ramen zou laten zetten. “Hij had geen poot om op te staan”, zegt Romilda minzaam. Ze woont naar haar zin, ze is blij dat ze de oude bouwtekeningen heeft, maar dat wil niet zeggen dat ze zich dag en nacht met watertorens bezighoudt. Bijna verontschuldigend: “Ik ben geen lid van de Nederlandse Watertoren Stichting.”

Maarten Winnubst heeft de naam van de architect die zijn bollenschuur heeft ontworpen paraat. J. Ziedsma kreeg in de jaren twintig opdracht van de NV Hollandsche Cultuurmaatschappij om in Heemstede op een strook grond langs de spoorbaan Haarlem-Leiden een moderne bollenschuur neer te zetten. Het ging goed met de bollenteelt en de telers hadden geld voor opvallende gebouwen over.

Zietsma ontwierp een bakstenen gebouw in de stijl van de late Amsterdamse School en Frank Lloyd Wright. Later zou hij zich in een vakblad excuseren voor de te ver doorgevoerde, maar door de opdrachtgever gewenste symmetrie. Hoe dan ook, zijn ontwerp trok tot over de grens de aandacht vanwege de grootte en fabrieksmatige opzet. Aan weerszijden van het directie- en kantoorgebouw lagen de ruimten waar de bollen werden gedroogd en ingepakt. Daarvandaan liepen rails naar de bollenvelden en er was zelfs een aparte aftakking naar de openbare spoorlijn.

Twee jaar na voltooiing van het gebouw ging de Hollandse Cultuurmaatschappij failliet en nam De Zweedse Zaadhandel er zijn intrek in het gebouw, om ongeveer tien jaar geleden weer te vertrekken. Het gebouw, dat inmiddels de status van provinciaal monument had gekregen, stond lange tijd leeg, tot vier jaar geleden de drie broers Paulus het pand kochten. Winnubst werkt voor hun displaybedrijf, dat toe was aan een ruimere behuizing.

De verhuizing naar de bollenschuur was dan wel een jongensdroom, maar wel een met nachtmerrieachtige elementen. Het gebouw was veel te groot voor één bedrijf, dus werd besloten enkele ruimten te verhuren. Twee broers en Maarten zagen het wel zitten om er ook te gaan wonen. Op de verdieping van het kantoorgebouw was ruimte genoeg voor drie woningen. Maarten kroop achter zijn tekentafel voor een ontwerp en er werd een aannemer ingehuurd. “Toen maakten we een fout”, zegt Maarten, “want we kozen voor de goedkoopste offerte.” De aannemer bleek vele posten niet in zijn begroting opgenomen te hebben, alle budgetten werden overschreden en op een dag bleven de aannemer en zijn personeel weg. “We hebben toen maar zelf twee bouwvakkers ingehuurd”, zegt Maarten.

Twintig bij acht meter meet de woning, die meer dan viereneenhalve meter hoog is. Te groot om in één blik te vangen. Een schuine wand en een entresol voor de bad- en slaapkamer breken de ruimte. In het midden is een zitgedeelte met oude leren banken, aan de muren hangen twee grote schilderijen en achterin is een podium. Het uitzicht over de bollenvelden wordt slechts op gezette tijden belemmerd door de gele flits van een langsrazende trein. Maarten kent eigenlijk maar één probleem: “Het is zo moeilijk om een knusse hoek te maken.”

José Baks heeft minder moeite hoeven doen om in een voormalig industrieel gebouw te wonen. Twee jaar inschrijving bij de woningbouwvereniging was genoeg voor een kant-en-klare-woning in de voormalige Janninkfabriek. De textielfabriek is in 1900 in opdracht van Gebr. Jannink gebouwd. Kenmerkend zijn de schoorsteen, de stoomspinnerij in Lancashirestijl en de monumentale watertoren met tentdak. In 1969 moest de fabriek sluiten, maar het gebouw bleef op initiatief van architect S. de Boer behouden voor jongerenhuisvesting en het Twents Textiel Museum, nu Museum Jannink.

Het verloop is vrij groot, zegt José, er wordt wel eens van boven met een brandslang naar voorbijgangers gespoten en haar kamer met slaapbalkon is met krap drie meter erg smal. Daar staat tegenover dat de kamer hoog genoeg is om een fiets als decoratie aan de muur te hangen. “Het pand heeft karakter”, zegt ze. Dat is voor haar genoeg.