Introductie middelloon overwogen; Kabinet effent pad voor ingreep WW

DEN HAAG, 12 SEPT. Het kabinet overweegt op termijn in te grijpen in de hoogte en duur van de werkloosheidsuitkeringen. Dat valt op te maken uit de nota 'Werken aan zekerheid', waaraan de meest betrokken ministers gisteren de laatste hand hebben gelegd.

De nota, die met Prinsjesdag wordt gepresenteerd, zal als adviesaanvrage naar de Sociaal Economische Raad (SER) worden gestuurd. In de nota worden diverse ideeën geopperd die de uitstroom uit de WW moeten bevorderen. Over een aantal zaken verschillen met name de ministers Melkert (Sociale Zaken) en Wijers (Economische Zaken) van mening. De SER krijgt de gelegenheid zich daarover uit te spreken. Een aantal ideeën zal lagere en/of korter durende uitkeringen tot gevolg hebben.

Zo vraagt het kabinet advies over de mogelijke introductie van een middelloon-WW. Dat wil zeggen dat werklozen niet 70 procent van hun laatstgenoten loon als uitkering ontvangen, maar 70 procent over het gemiddelde loon dat in de voorafgaande dienstjaren is verdiend. Met de eventuele introductie van een middelloon-WW wil het kabinet bevorderen dat werknemers op latere leeftijd een stapje terug doen in salaris (demotie). Momenteel weigeren nogal wat oudere werknemers loonsverlaging, omdat ze vrezen dat dit bij werkloosheid leidt tot een lagere WW-uitkering en een lager pensioen.

Bij de pensioenen heeft het kabinet al een voorkeur uitgesproken voor het middelloon-stelsel. Wanneer het pensioen van werknemers wordt gebaseerd op het gemiddeld over alle dienstjaren verdiende inkomen (middelloon) in plaats van over het laatstgenoten loon (eindloon) maakt het niet zoveel meer uit of mensen op latere leeftijd minder gaan verdienen. Dat heeft dan niet zoveel effect op het pensioen.

Bij een eindloonstelsel ondervinden werknemers daarentegen vaak tientallen jaren de financiële nadelen van een stap terug in inkomen in de jaren voor de pensioengerechtigde leeftijd. Het kabinet wil dat de SER nu ook adviseert over de wenselijkheid van een middelloon-WW. Aangezien werknemers over het algemeen gedurende hun carrière meer gaan verdienen, zal de middelloon-WW doorgaans lager uitvallen dan de huidige eindloon-WW.

Behalve de middelloon-WW wil het kabinet ook onderzoeken of de uitstroom uit de WW bevorderd kan worden door introductie van spaarelementen in de WW (de zogeheten spaar-WW of opbouw-WW). Daardoor krijgt de individuele werknemer belang om werkloosheidsperiodes zo veel mogelijk te voorkomen c.q. zo kort mogelijk te houden. Net als de middelloon-WW is ook dit idee ingebracht door minister Wijers (Economische Zaken). Het is de bedoeling dat de werknemer een eigen spaartegoed vormt, dat ter beschikking staat in periodes van werkloosheid en dat dan naar eigen inzicht kan worden aangesproken. Het oorspronkelijke plan van Wijers was ongebruikte spaartegoeden uit te keren vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

Volgens minister Melkert (Sociale Zaken) is dit laatste onhaalbaar omdat het tot veel hogere WW-premies leidt. De WW-premies worden dan immers niet meer gebruikt om de uitkeringen van dat moment te financieren (omslag van premies), maar om rechten voor later op te bouwen.

Pagina 16: Middelloon-WW: lagere WW

Evenals de middelloon-WW leidt ook de spaar-WW in de meeste gevallen tot lagere en/of korter durende uitkeringen. Werknemers die een goed verdienende partner hebben zullen er bijvoorbeeld voor kiezen om geen gebruik te maken van het recht op WW bij werkloosheid, maar om dit op te sparen voor later. De spaar-WW is bovendien een financiële stimulans om de periode van werkloosheid zo kort mogelijk te houden.

Een variant op de spaar-WW is de opbouw-WW. Deze is oorspronkelijk bedoeld om uitzendkrachten en andere flexibele werknemers gemakkelijk aan de zogeheten referte-eis in de WW te laten voldoen. Het recht op WW wordt hier opgebouwd. Een week werken geeft bijvoorbeeld recht op één dag WW. Om in aanmerking te komen voor WW moet momenteel in de 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, in minimaal 26 weken in dienstbetrekking zijn gewerkt. Bovendien moet in de 5 kalenderjaren voor het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag ligt, minimaal 4 kalenderjaren over tenminste 52 dagen per jaar loon zijn ontvangen. Bij de opbouw-WW kunnen met name flexibele werknemers dit recht tussen verschillende perioden van tijdelijke werkloosheid door geleidelijk opbouwen. Dat is nu nog niet mogelijk.

Tenslotte wil het kabinet advies hebben over de wenselijkheid van premiedifferentiatie in de WW. Minister Melkert is voorstander van hogere WW-premies per onderneming al naar gelang zij in het verleden meer werknemers naar de WW hebben gestuurd (zogeheten experience rating). Zijn collega Wijers wijst het idee echter af, omdat met name kleinere bedrijven volgens hem helemaal geen greep hebben op het risico van werkloosheid. Zij zijn overgeleverd aan de grillen van de economie. Ervaringen in de VS met premiedifferentiatie in de WW hebben uitgewezen dat de werkloosheid met 15 procent kan dalen als de WW-premie voor de helft zou afhangen van de uitkeringslasten die een bedrijf in het verleden heeft veroorzaakt.

Binnen de regeringspartij PvdA zijn de meningen over premiedifferentiatie in de WW verdeeld. Het Tweede Kamerlid R. van der Ploeg heeft zich hiertegen verzet. Zijn collega K. Adelmund heeft vandaag in de nota Sociale zekerheid bij de tijd, die zij schreef ten behoeve van een PvdA-congres in februari 1997, juist sterk gemaakt voor premiedifferentiatie. Ook fractievoorzitter J. Wallage betoonde zich eerder voorstander.