Het Westen heeft pijnlijk gefaald tegenover de Koerden in Irak

De verovering van Arbil op 31 augustus door gezamenlijke troepen van de Koerdische Democratische Partij (KDP) en het Iraakse leger, gevolgd door de val van de andere steden die in handen van de concurrerende Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) waren, maakt volgens Martin van Bruinessen en Michiel Leezenberg pijnlijk duidelijk hoezeer het internationale beleid ten aanzien van Iraaks Koerdistan heeft gefaald.

De Iraakse leider, Saddam Hussein, heeft een belangrijke politieke overwinning geboekt, en de Amerikanen en hun bondgenoten hebben niets willen of kunnen doen om dat te voorkomen. De op Zuid-Irak afgevuurde kruisraketten mogen Clintons verkiezingscampagne gesteund hebben, maar ze waren voor de Koerden en andere oppositiegroepen in Noord-Irak zonder betekenis.

De Amerikanen spraken al spoedig van een Koerdische 'burgeroorlog', die geen geallieerde militaire interventie rechtvaardigde. Dat is een vertekening van de werkelijkheid: Saddams leger en veiligheidsdiensten hebben een centrale rol in de gehele operatie gespeeld. Bovendien is de strijd tussen de partijmilities van de PUK en de KDP, die al in het voorjaar van 1994 uitbrak, geen burgeroorlog, maar een machtsstrijd tussen twee kleine elites die beide hun legitimiteit bij het grootste deel van de bevolking reeds lang hebben verloren, en die ten koste is gegaan van de democratisch gekozen instellingen. Ook hiervoor draagt de internationale gemeenschap verantwoordelijkheid, omdat men nooit met de gekozen vertegenwoordigers van de Koerden heeft willen spreken, maar alleen met de partijbazen Barzani (KDP) en Talabani (PUK).

In 1992 is in relatief vrije en eerlijke verkiezingen een regionaal parlement gekozen. De Verenigde Staten en het Europese parlement hebben deze verkiezingen indertijd toegejuicht, maar hebben die lof niet omgezet in enige politieke of andere steun aan het Koerdische parlement of aan de kort daarop gevormde autonome regering. Dit gaf de leiders van de twee grootste partijen, Talabani en Barzani, het signaal dat ze hun eigen doelen beter buiten het parlement om konden verwerkelijken. Beiden hielden zich buiten de nieuwe civiele politieke structuren en weigerden hun partijmilities onder het gezag van de regering te stellen. Bovendien ging het grootste deel van de douane-inkomsten uit de oliehandel met Turkije, de belangrijkste bron van inkomsten van de regio, naar de partijen (met name de KDP) in plaats van naar de regering. Achter de schermen bleven de politbureaus van beide partijen de dienst uitmaken.

Parlement en regering hebben keer op keer geprotesteerd tegen deze situatie en herhaaldelijk geëist dat beide leiders posities in de civiele politiek zouden betrekken waarin ze ter verantwoording konden worden geroepen. Deze pogingen om beide guerrilla-organisaties om te vormen tot civiele politieke partijen hebben geen enkele steun van buitenaf gekregen.

Het uitbreken van grootschalige gevechten tussen de KDP en de PUK in mei 1994 was de eerste aanwijzing dat de gekozen instanties de machtsstrijd met de politbureaus definitief aan het verliezen waren.

Sindsdien hebben parlement en regering, beide gevestigd in Arbil, vrijwel opgehouden te functioneren en hun laatste beetje gezag verloren. 'Vrij' Koerdistan raakte opgedeeld in een PUK- en een KDP-gebied, waarin de partijen elk hun militaire dictatuur vestigden en op grote schaal mensenrechten schonden. Zelfs de pretentie voor gemeenschappelijke Koerdische belangen op te komen werd geleidelijk opgegeven.

In economisch en sociaal opzicht zijn de afgelopen vijf jaar een rampzalige periode geweest voor het Koerdische gebied. Het had, naast het VN-embargo tegen geheel Irak, te maken met een interne blokkade die Bagdad in oktober 1991 oplegde en die het gebied in een diepe economische en sociale crisis stortte. Meer dan 70 procent van de bevolking is werkloos; salarissen van ambtenaren, als ze al uitbetaald worden, voorzien bij lange na niet in de elementaire levensbehoeften. Bijna een miljoen mensen zijn nog steeds rechtstreeks afhankelijk van VN-voedselhulp. Alleen een mafia van smokkelaars, zwarthandelaren en krijgsheren heeft, in alliantie met de partij-elites, grote winsten kunnen boeken in de schaarste-economie. De grootste sommen worden verdiend met de smokkel van olie uit Irak via de Koerdische beveiligde zone over de Turkse grens. De organisatie van deze smokkel was overigens de eerste onderneming waarbij mensen uit de KDP-top nauw met Bagdad samenwerkten.

De inname van Arbil, dat sinds begin 1995 door de PUK beheerst werd, was een regelrechte ramp voor de stadsbevolking en vooral voor de daar gevestigde Iraakse oppositie. De meeste Iraakse oppositiebewegingen - naast de Koerden de communistische partij, de sji'itische partijen, het overkoepelende Iraakse Nationale Congres en de etnische partijen van Assyriërs en Turkmenen - hadden hun belangrijkste kantoren in Arbil. Hoewel er reeds geruime tijd berichten circuleerden over militaire samenwerking tussen de KDP en Bagdad lieten de PUK en de andere oppositiepartijen zich door het offensief tegen Arbil verrassen. De stad werd meteen omsingeld, zodat vrijwel niemand heeft kunnen ontsnappen. Naar verluidt hebben KDP-milities vooral jacht gemaakt op PUK-leden, terwijl de Iraakse geheime dienst de kantoren van de andere oppositiebewegingen plunderde en talrijke arrestaties verrichtte. Ten minste honderd personen, maar mogelijk veel meer, zijn standrechtelijk geëxecuteerd. Bovendien zijn alle archieven en computerbestanden van de oppositiepartijen in beslag genomen, wat waarschijnlijk ook de doodsteek betekent voor het ondergrondse oppositienetwerk in het eigenlijke Irak.

Als reden voor haar militaire samenwerking met Bagdad heeft de KDP gegeven dat zij door een gecombineerd Iraans-PUK offensief sterk in het nauw gedreven werd en van geen enkele andere kant reacties kreeg op haar wanhopige verzoeken om hulp. Erg overtuigend is deze verklaring niet, zeker na de snelle successen van het 'tegenoffensief'. Aan de aanval op Arbil moet een lange voorbereiding zijn voorafgegaan. Er is geen enkele onafhankelijke bevestiging van de bewering dat Iran een PUK-offensief tegen de KDP ondersteunde.

Dit roept de vraag op hoe dan de collaboratie van Barzani's KDP met het bewind in Bagdad te verklaren. Dat de Koerden vroeger of later tot een regeling met Saddam zouden moeten komen, ondanks de herinnering aan de genocide van 1988, waarbij mogelijk 100.000 Koerden systematisch waren omgebracht, was welhaast onvermijdelijk. De hoop op een ander bewind in Bagdad was, vijf jaar na 'Desert Storm', vervaagd en de rest van de wereld leek zich verzoend te hebben met Saddams blijvende leiderschap in Bagdad.

Iraks Koerden werden omringd door vijandige buurlanden die zich actief mengden in de zaken van het 'vrije' Koerdistan en bleven verstoken van serieuze Amerikaanse en Europese politieke ondersteuning. In zoverre draagt ook de internationale gemeenschap een deel van de verantwoordelijkheid voor de nieuwe Koerdische tragedie.

Barzani's geheime militaire verbond met Bagdad was echter niet bedoeld om tot een regeling, zij het een ongunstige, van de betrekkingen tussen de centrale regering en het Koerdische gebied te komen. De KDP-elite streefde in de eerste plaats nauwe partij- en clanbelangen na, uitschakeling van de belangrijkste rivaal en zekerstelling van de economische belangen van de familie Barzani.

Aan de illusie dat de in 1991 ingestelde safe haven (beveiligde zone) in Noord-Irak de Koerden tegen Saddams leger bescherming zou bieden is voorgoed een einde gekomen. Had de internationale gemeenschap deze tragedie kunnen voorkomen? Militair ingrijpen was eind augustus geen serieuze optie meer, het was toen te laat. De belangrijkste fouten zijn in de voorafgaande jaren gemaakt. Het was het kortzichtige en onsamenhangende beleid van de VS en Europa tegenover Noord-Irak gedurende de afgelopen vijf jaar dat de voorwaarden voor de huidige tragedie heeft geschapen.

De 'safe haven', die overigens los stond van de VN-operaties in het gebied, vormde een volkenrechtelijk wangedrocht zonder duidelijke status, dat de bevolking geen enkel vooruitzicht gaf op een duurzame politieke oplossing en evenmin blijvende bescherming tegen Saddam Hoesseins regime bood. Zij was dan ook niet in de eerste plaats ingesteld om de Koerden te helpen, maar om Turkije te ontlasten van een dreigend vluchtelingenprobleem.

Door de onwil het gekozen Koerdische gezag ter plaatse enige vorm van erkenning te geven, en de weigering naast noodhulp ook opbouwhulp toe te kennen - beide ingegeven door de vrees dat dit tot onafhankelijkheid zou kunnen leiden - heeft de internationale gemeenschap op zijn minst bijgedragen tot de sociale en politieke ontwrichting van het gebied en tot de machtsstrijd tussen partij-elites die zich steeds minder om de bevolking waren gaan bekommeren.

Kortzichtige economische en strategische partijbelangen hebben de KDP nu in Saddams armen gedreven. De internationale gemeenschap valt echter eenzelfde kortzichtigheid te verwijten: opnieuw hebben strategische overwegingen het pleit gewonnen van pogingen tot democratisering en bescherming van de burgerbevolking. Wie zal, na Bosnië en Koerdistan, nog vertrouwen kunnen hebben in met veel fanfare ingestelde, maar uiteindelijk futiele 'safe havens'?