En het heelal opende zich...

Hij reageert niet op de bel'', vertelde een collega op het wijkgebouw, en ze gaf me een sleutel mee van het huis. Op driehoog klop ik aan, want de woning blijkt niet eens een bel te hebben. Er volgt geen antwoord. De deur is niet op slot. Aan een stalen kantoorbureau, bezaaid met papieren, zit een man van een jaar of zestig. Hij is slechts gekleed in ouderwets wit ondergoed. Zijn blik is gericht op een punt achter mij. Uit niets valt op te maken dat hij mijn aanwezigheid heeft opgemerkt.

Het bureau is het enige meubelstuk, verder is de kamer leeg; er ligt zelfs geen tapijt op de vloer.

“Ik kom u helpen met douchen.”

De man staat op en dribbelt weg. Ik ga hem achterna. In de douche staat hij mij op te wachten. Volkomen lethargisch ondergaat hij de wasbeurt. Toch is hij op een bepaalde manier ook wel coöperatief, want hij weet precies wanneer hij zijn been of arm moet optillen.

We gaan terug naar de woonkamer. Met enige nadruk vraag ik de man of ik verder nog iets voor hem kan doen. Nu ontstaat er enig vuur in zijn ogen; zijn blik krijgt iets plechtigs, en met geheven wijsvinger begint hij te declameren.

“Om 1 uur vannacht voelde ik het opkomen: de kwadranten kwamen los... Ik wist dat er geen seconde te verliezen was, actie was geboden.... Ik verscherpte mijn concentratie... Om 1.30 voltooide ik het platte vlak... Om 2.00 ging ik naar de toilet voor een plas... Om 2.30 had ik het verticale vlak gedacht... Om 2.45 strandden mijn eerste pogingen tot het denken van het diagonale vlak in een kosmologisch vacuüm.... Om 3.15 hervatte ik mijn pogingen met succes. Ik kwam in contact met de universele energie... Om 3.45 voelde ik de eerste beweging ontstaan, het heelal opende zich...”

Strak kijkt de man me aan en hij knijpt achterdochtig met zijn ogen. Klaarblijkelijk wacht hij op een reactie van mij, maar ik weet even niets te zeggen. Want hoe ik ook mijn best doe, ik kan er niets van maken. Het is klinkklare onzin die hij opdist. En er is niemand aanwezig die als woordvoerder voor de man optreedt, die voor hem in de bres springt: “Vroeger was vader, oom Henk, meneer Jansen een zeer geleerde man, hóór!”

En misschien dat de tragiek wel ligt in dit laatste: deze man heeft geen geschiedenis meer. Langzaam is hij in de vergetelheid geraakt. Verdwaald in een doolhof van RIAGG's en psychiatrische inrichtingen, het slachtoffer geworden van bezuinigingen en reorganisaties, is hij ingesneeuwd op drie-hoog-achter in een grote stad.

Zittend achter zijn bureau brengt hij de dagen zoek met het bedenken van nieuwe werelden, van werelden waarin voor hem een heldenrol is weggelegd. Zijn levensverhaal is hij reeds lang vergeten, want wat is de zin van het herinneren van gebeurtenissen als je die met niemand kunt delen, van een verhaal dat je aan niemand kunt vertellen?

Ik sta wat te dralen, op de valreep probeer ik toch nog een praatje met hem aan te knopen.

“Welk vlak is het moeilijkst denkbaar: het horizontale of het diagonale?”

Zijn ogen beginnen te stralen.

“Zondermeer het diagonale. Onze hersenen zijn horizontaal en alles wat hier van afwijkt is moeilijk...”

Ik knik en als ik even later de trap afloop neem ik mezelf voor de ontmoeting met deze man niet te vergeten. Dat is het minste dat ik voor hem doen kan.