Een duit in het zakje

“Je moet de REVU kopen”, zei iemand een paar weken geleden tegen mij, “want je naam wordt erin genoemd in verband met een plagiaat-affaire.” Dat deed ik natuurlijk. Er bleek inderdaad een stukje in te staan over een vermeend geval van 'plagiaat' - hij had, geloof ik, iets overgeschreven uit het telefoonboek - bij de bekende romanschrijver A.B.C.D.E.F. van der Heijden.

“Hij bevindt zich in goed gezelschap”, schreef de redactie. Dat goede gezelschap bleek te bestaan uit Marcel Möring, Johan Polak, Adriaan van Dis, Jan Siebelink en - het staat er echt - Douwe Slofstra. Mijn naam werd genoemd in verband met het 'plagiaat' - het is wel een groot woord voor zo'n onbeduidende en onbelangrijke affaire - van Johan Polak. Juist omdat het een nogal onbenullig geval is, kan het echter wellicht enig licht werpen op de drie vragen die altijd bij zulke kwesties weer rijzen: Hoe is zoiets mogelijk? Hoe komt het uit? Is het erg?

Om met het tweede te beginnen, het feit dat ik het plagiaat 'ontdekte', om een ander groot woord te gebruiken, was een kwestie van toeval. Ik zou in oktober 1991 een lezing over het fin de siècle geven voor de K.L. Poll-Stichting. Het ging hier om een zogeheten 'dubbellezing'. De andere spreker was Johan Polak. Nu had ik eerlijk gezegd wel eens van Johan Polak gehoord, maar nog nooit iets van hem gelezen. Het leek mij allemaal een beetje te beschaafd, te erudiet en te vol 'prachtige dichters' voor mijn smaak. Maar omdat wij nu eenmaal samen zouden optreden, vond ik dat ik, al was het maar beleefdheidshalve, toch wel iets van zijn werk gelezen moest hebben. Dus kocht ik zijn bundel Bloei der décadence en begon daarin te lezen. Al snel kwam ik bij het derde stuk, dat over 'Baudelaire, de dichter van de grote stad'. Dat interesseerde mij wel, al was het maar omdat ik zelf eens iets over 'Het Parijs van Zola' had geschreven en daarin, ook heel beschaafd en erudiet, Baudelaire had geciteerd. Na enige tijd kreeg ik het gevoel dat bepaalde passages mij nogal bekend voorkwamen. Toen kwam ik bij een zin die mij zo bekend voorkwam, dat ik dacht: dat heb ik zelf geschreven. Ik ging dus naar de boekenkast, haalde mijn Vele ideeën over Frankrijk te voorschijn en ontdekte dat een kleine twee bladzijden daaruit letterlijk door Polak waren overgenomen.

Ik vond dat niet erg, maar wel curieus genoeg om er een klein stukje over te schrijven voor Maatstaf, het blad waarin mijn artikel oorspronkelijk was verschenen. Ik stuurde uiteraard een kopie hiervan naar Johan Polak. Hij reageerde even hoffelijk als karakteristiek: mijn stuk was zo “prachtig” dat hij het nu eenmaal niet beter had kunnen zeggen. Wij gaven onze dubbellezing, hebben er hartelijk om gelachen en nooit meer over gesproken.

Ik kom hier nu op terug, naar aanleiding van zekere recente gebeurtenissen, omdat de affaire karakteristiek is voor de meeste van deze zaken. De 'ontdekking', om die term nog maar eens te gebruiken, was zuiver toevallig. Ik had, zoals gezegd, nooit iets van Johan Polak gelezen en als ik die lezing niet had moeten houden had ik dat waarschijnlijk ook nooit gedaan. Polaks Bloei der décadence was een bescheiden bestseller en ook van mijn Vele ideeën over Frankrijk zijn vele duizenden exemplaren verkocht. Heel wat mensen moeten beide boeken gekocht en enkelen wellicht zelfs gelezen hebben. Toch heeft niemand het plagiaat ooit opgemerkt. Sterker nog, ik zelf had al een flink stuk van mijzelf gelezen vóór het mij opviel. Toch was ik geestelijk toen nog heel goed. Dit bevestigt de uitspraak van Köbben dat de kans dat zoiets achterhaald wordt niet veel groter is dan bij fietsendiefstal het geval is.

De andere vraag is, waarom iemand het doet. Zeker in dit geval is dat niet eenvoudig te zeggen. Johan Polak was geen ijdele of ambiteuze wetenschapper en hij stond ook niet, zoals vele huidige universitairen, onder druk om steeds maar te publiceren. Hij leek mij een vriendelijke, bescheiden en beschaafde man. Waarom dan zoiets? Ik geloof eerlijk gezegd dat het een heel simpel geval van onhandigheid was. Zijn stuk was ontstaan als een lezing. Bij een lezing lees je natuurlijk je voetnoten niet voor. Trouwens, misschien verwees hij wel naar mijn 'prachtige' stuk. Wie zal het zeggen. Toen moest er jaren later een bundeltje komen en daar moest dit stuk ook in. Tegen die tijd was hij kennelijk vergeten hoe hij aan die passages was gekomen en zo kwam het erin. Leuk is het niet, maar het kan iedereen overkomen, lijkt mij, zeker als je ouder wordt.

Dit brengt ons bij de laatste vraag: Is het erg? Dat is een vraag waar iedereen over kan en kennelijk ook graag over wil meepraten. Ik zelf heb een zwak gevormd geweten en dat zal wel de reden zijn dat ik niets van verontwaardiging voelde of voel, hoogstens van verbazing. Ik vind wel dat iemand die zoiets tegenkomt het recht - sommigen zullen zelfs zeggen de plicht - heeft het te signaleren, anders wordt het een zooitje in deze wereld. Maar om nu te doen alsof de wetenschap in gevaar is, gaat ook wel weer wat ver.

En Diekstra, om de onvermijdelijke naam ten slotte toch te noemen? Tja, die ging natuurlijk veel verder. Uiteraard moet die zaak worden uitgezocht en moet aan de benadeelden genoegdoening worden gegeven. Bovendien gaat het hier om een heuse professor aan een echte universiteit en een die dat weten wil ook. Daarom lijkt de wetenschap hier wel in het geding. Maar misschien hebben wij hier te maken met een zeer kras voorbeeld van een dubbelleven, zij het geen geheim: een professorale Dr. Jekyll en een pastorale Mr. Hyde. In een interview met Paul Witteman in het programma 'Buitenhof' (afgedrukt in HP/De Tijd, 6 september 1996) zei Diekstra over de bedoeling van zijn boeken, dat het hem gaat om “inzichten en handvatten door te geven”, c.q. “het overbrengen van handvatten”, dan wel “het aanreiken van psychologische handvatten en levensvragen”.

Ik heb geen idee wat dit betekent en ik heb geen van zijn boeken ooit gelezen of zelfs maar ingezien. Maar de oplossing lijkt mij simpel: Diekstra plaatst voortaan voetnoten bij zijn handvatten en wij gaan over tot de orde van de dag.