Die lui in Den Haag

Ze praten anders, ze doen anders. Voor het volk, maar niet van het volk. Dat zijn de leden van de Tweede Kamer. Het Kamerlid dat de vergaderzaal binnenkomt met een sjerp om waarop 'Representant' staat, zou hardop worden uitgelachen. Toch waren de leden van de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek in 1796 op deze wijze getooid.

Tweede-Kamerleden. Soms willen zij zichzelf nog wel eens volksvertegenwoordiger noemen. Soms ook achten zij zich zelfs 'ingehuurd'. Het kan allemaal niet wegnemen dat het merendeel van de kiezers heel anders over hen denkt. Kamerleden zijn representant maar niet representatief. Even ruimschoots gelegitimeerd als verguisd. Bijna vier op de vijf kiesgerechtigden bracht op 3 mei 1994 zijn stem uit. Maar op wie? Kozen zij hun vertegenwoordiger of hun pispaal? Eenmaal verkozen behoren Tweede-Kamerleden tot de weinig beminde kaste van 'ze' in Den Haag, ook wel bekend als de 'hoge heren in Den Haag' of nog scherper geformuleerd, 'het stelletje zakkenvullers dat gemakkelijk praten heeft'.

In het deze week verschenen Sociaal en Cultureel Rapport 1996 wordt het beeld dat 'zij' in Den Haag niet van 'ons' zijn nog eens bevestigd. Recent opinie-onderzoek leert dat 69 procent van de bevolking het eens is met de stelling dat Kamerleden weinig begrip hebben voor wat er onder de mensen leeft. Bijna de helft van de ondervraagden (45 procent) antwoordde bevestigend op de vraag: 'Ik denk niet dat Kamerleden en ministers veel geven om wat mensen zoals ik denken'.

Kamerleden vertegenwoordigden krachtens de Grondwet weliswaar “het gehele Nederlandse volk”, maar zijn daarmee nog geen afspiegeling van dat volk. Integendeel. Kamerleden zijn gemiddeld hoger opgeleid, veelal afkomstig uit de (semi)-collectieve sector, vaak tussen de 35 en 50 jaar oud, vaker man dan vrouw en in overwegende mate blank.

Het lidmaatschap van de Tweede Kamer is steeds meer een beroep geworden - een overvolle baan bovendien. Tot in de jaren zestig was het zeer gebruikelijk dat volksvertegenwoordigers hun parlementaire werk naast hun gewone werk deden. Het was vroeger dan ook zo dat 80 procent van de verkozen Kamerleden zijn of haar oorspronkelijke baan voortzette. Maar sinds de jaren zeventig is de situatie precies andersom: 80 procent van de mensen die verkozen wordt, stopt met de oude baan.

Het lidmaatschap der Tweede Kamer is, kortom, gewoon werk geworden. Een officiële opleiding voor het Kamerlidmaatschap bestaat er niet, maar een officieuze wel. De ambtenarij in de brede zin van het woord blijkt dè opstap te zijn voor een plaats in de Tweede Kamer. Vreemd is dat niet. Wie als ambtenaar vrijwel dagelijks voor de politiek werkt, wil meer dan ieder ander ook wel eens zelf meebeslissen. Het is ook mogelijk geworden doordat, als gevolg van de ontzuiling, de voor Nederland zo kenmerkende vertegenwoordigende democratie van karakter is veranderd.

Deze verandering in samenstelling van de Tweede Kamer is onderzocht door de wetenschapper J.Th.J. van den Berg. In 1983 promoveerde hij op een proefschrift dat was gebaseerd op onderzoek naar de maatschappelijke herkomst van Tweede-Kamerleden in de periode 1849-1970. Volgens Van den Berg was de Tweede Kamer tussen 1918 en 1960 relatief gezien het meest representatief voor de Nederlandse bevolking, maar op een speciale manier. “De Nederlandse Kamer stond open voor allerlei bevolkingsgroepen, maar dan wel via de vaste kanalen van hun organisaties. Tot in de vroege jaren zestig is, dat moet gezegd, de Tweede Kamer niet zozeer een volksvertegenwoordiging naar het droombeeld van Thorbecke geweest, maar een vertegenwoordiging van de georganiseerde samenleving”, aldus Van den Berg in zijn proefschrift.

De omslag had plaats in de jaren zeventig. Democratisering en ontzuiling leidden tot een volgens Van den Berg “paradoxale ontwikkeling”. Er was geen sprake van een verbreding van de recrutering, maar juist van een versmalling tot betrekkelijk bevoorrechte groepen, namelijk degenen die hun politieke legitimiteit “bij gebrek aan maatschappelijke worteling eenzijdig moeten ontlenen aan de effectiviteit waarmee zij problemen oplossen en compromissen sluiten”, zo stelde Van den Berg. Hij verbond hieraan de conclusie dat dit een “te smalle basis was”, maar vroeg zich tevens af of het eigenlijk wel anders kon.

Anno 1996 heeft deze vaststelling nog meer kracht. De in 1983 door Van den Berg gesignaleerde ontwikkeling heeft zich in versterkte mate voortgezet. De ontzuiling werd immers gevolgd door een snelle ontideologisering. Politici worden in hun dagelijks werk nog meer aangesproken op hun probleemoplossend vermogen en nog minder op hun ideaalbeelden.

Het neemt niet weg dat vanuit politieke partijen de roep om 'herkenbare' politici altijd weer klinkt tegen de tijd dat verkiezingen in zicht komen. Jongeren, vrouwen, mensen uit de niet-collectieve sector wordt met nadruk verzocht zich te melden. Het punt is echter dat de politieke partijen zelf, waaruit de gewenste kandidaten moeten voortkomen, in deze sectoren zwaar zijn ondervertegenwoordigd. Niet de Tweede Kamer is eenzijdig samengesteld en derhalve niet respresentatief, maar de politieke circuits als geheel.

Is dat een probleem? Ja, want daardoor wordt het eendimensionale karakter van de Tweede Kamer alleen maar versterkt. Is het oplosbaar? Moeilijk. Waar niet is, verliest de keizer zijn recht. Een tijdperk dat gekenmerkt wordt door verzakelijking brengt nu eenmaal zaakwaarnemers voort. Gemiddeld eens in de vier jaar trekt het volk naar de stembus om deze functionarissen te legitimeren. Om zich direct de volgende dag weer te ergeren aan 'die lui in Den Haag'.