De mooiste resten van ambacht en industrie; Geen pand werd ooit gebouwd als monument

Zaterdag 14 september wordt de tiende Open Monumentendag gehouden, dit jaar met speciale aandacht voor het industrieel erfgoed dat in honderden Nederlandse gemeenten bewaard is gebleven. Ook de Agenda staat deze week in het teken van het industriële monument, van de plekken waar nijverheid en industrie eens bloeiden en waar de arbeider zwoegde in het zweet zijns aanschijns.

Reeds lang voor de uitvinding van de monumentenzorg werden sommige gebouwen beschermd door hun ouderdom. De kans dat de omstreeks 950 gebouwde kerk aan de Rijnoever bij Oosterbeek zal moeten wijken voor nieuwbouw, is al eeuwen bijna nul. Voor kerken geldt: hoe ouder hoe beter.

Kastelen en landhuizen hebben het zwaarder. Een respectabele leeftijd zal menig stamslot aan een renovatie hebben geholpen als sloop verstandiger was; maar het omslagpunt tussen herstel en nieuwbouw werd toch meer dan bij kerken bepaald door functionaliteit. In 1646 en het jaar daarop nam een jonge Amsterdammer de moeite om alle kastelen van Utrecht en Holland te bezoeken en tekenen. De schitterende facsimile-uitgave van het resultaat, De Kasteeltekeningen van Roelant Roghman (Canaletto, 1990), toont 150 Anton Piek-achtige burchten en vestingen, waarvan er nu nog 41 min of meer intact zijn.

Maar fabrieken en andere concentratieplaatsen van geldelijk gewin werden door hun ouderdom juist bedreigd - tot voor een jaar of twintig categorisch en sindsdien selectief. De panden waar de mens diep boog om het slijk der aarde te bemachtigen, waren au fond een smet op de beschaving. Geen stelling om te verdedigen op een VVD-congres - waarschijnlijk wel de reden waarom sporen van lang vervlogen nijverheid buiten het Openluchtmuseum haast nergens zijn te vinden. Zodra ze niet langer werden gestut door efficiëntie, stortten ze in - maar gelukkig met een vertraging. Tussen het vertrek van de laatste werknemer en de spontane overgang naar een geheel gelijkvloerse situatie, verlopen doorgaans enkele decennia. Voor de bedrijfspanden op de schilderijen van Pieter Brueghel is het onherroepelijk te laat, ook voor de werkplaatsen die Ruysdael een eeuw later in beeld bracht, en zelfs voor de meeste pakhuizen, graanpellerijen en steenovens op negentiende-eeuwse doeken. Alleen molens vormen op deze regel een uitzondering van enige betekenis.

Redding is alleen mogelijk voor wat al wel gesloten, maar nog niet verdwenen is. Uitgaande van dat gegeven, verklaart een simpele berekening waarom we ons juist nu ineens zo interesseren voor het industrieel erfgoed. De gemiddelde levensduur van een ouderwets degelijk fabriekspand bedraagt zestig tot tachtig jaar. Tel daarbij op de twintig à veertig jaar die verlopen vanaf het sluiten van de poorten, via het sneuvelen van de laatste ruit en het stellen van de eerste vragen in de gemeenteraad, tot het inzakken van het dak. Trek de uitkomst af van 1996, en je komt uit bij de jaren 1876-1916, uitgerekend de periode van de Industriële Revolutie in Nederland. Tel daarbij weer op de subsidie van 275 miljoen gulden die Staatssecretaris Nuis onlangs beschikbaar stelde voor het achterstallig onderhoud aan rijksmonumenten, de veertig dikke rapporten van het door minister d'Ancona in 1991 ingestelde Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE), en niet in de laatste plaats de verwoestende lawine van informatica en micro-elektronica die dezer dagen neerdaalt over het industriële erf van de boerderij die Nederland heet - en het wordt duidelijk dat het niet anders kon: eigenlijk heeft 1996 zichzelf uitgeroepen tot Jaar van het Industrieel Erfgoed.

Omstreeks 1850 was een zekere grootschaligheid alleen te vinden in de Nederlandse papier- en steenfabrieken, en stoomkracht alleen in de sector transport. Maar kort daarop ging het los: vanaf 1870 trok de Nederlandse nijverheid een sprint naar schaalvergroting en mechanisatie. Een inhaalmanoeuvre was het ook, gelet op de eerdere start van de industriële revolutie in de omringende landen. En anders dan daar was de zware industrie hier niet de gangmaker. Van de 4728 stoommachines in het Nederland van 1885 waren er bijna 4728 geïmporteerd. Bij afwezigheid van grote reservoirs aan delf- en brandstoffen, dienden de landbouw en de handel hier als katalysatoren van de vooruitgang of wat daarvoor doorging, en was de overgang van ambachtelijkheid naar industrie geleidelijker dan in het Ruhrgebied, de Borinage, Lancashire, Wales, of Noord-Frankrijk. Resultaat was een geografisch en thematisch vrij evenwichtige industrialisatie, gelardeerd met een weelde aan stoomgemalen. Minder uniek voor Nederland, maar wel goed voor de verscheidenheid, waren de spoorbanen, stations, kanalen, bruggen en sluizen die nu net zo goed tot het industriële erfgoed behoren als de fabrieken en wat daar weer in stond.

Bedreigd is het allemaal, maar niet allemaal even erg. Neem de oostrand van de Veluwe: een mooi voorbeeld van de geleidelijke overgang van ambacht naar industrie. Twee eeuwen geleden al leverden tientallen natuurlijke en gegraven beken (sprengen) hier de energie voor een paar honderd watermolens waar papier werd gemaakt, koper geslagen en graan gemalen.

De industriële revolutie maakte de molens overbodig: van de 174 Veluwse papiermolens uit 1754 resteerden er in 1900 nog twintig; daarvan zijn er nu nog zes over, enigszins afhankelijk van de definitie van 'over'. Maar de nijverheid aan de westflank van het IJsseldal bleef, de papierfabricage in het bijzonder. Voor versnelling van deze industriële ontwikkeling zorgden het Apeldoorns Kanaal, in fasen gegraven in de jaren 1824-1869, en een spoorbaan uit 1887 - met een aftakking naar Het Loo - waar koning Willem III zich nog sterk voor heeft gemaakt.

Concurrentie van het wegtransport leidde in 1972 tot sluiting van het kanaal. Je mag er wel varen, maar geen sluis wordt nog geschut, geen brugwachter komt nog in actie, en langs de oevers groeien her en der dichte bossen riet. Al met al een monument van jewelste, en voorlopig goed beschermd door zijn eigen omvang.

Dat laatste gold niet voor de spoorbaan. Het tracé Apeldoorn-Zwolle lag te roesten van 1950 tot de ontmanteling in 1972. Het stuk tussen Apeldoorn en Dieren had het geluk in bedrijf te blijven tot het ontluiken van de belangstelling voor het industrieel erfgoed. Plaatselijke stoomfanaten sloegen toe in de periode tussen sluiting (in 1980) en sloop (waar het gelukkig nooit van kwam), en gevolg is dat er nu weer stoomtreinen rijden tussen Apeldoorn en Dieren - alleen in het zomerseizoen en nooit harder dan dertig kilometer per uur, maar toch. Het hoofdemplacement van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij, aan de westrand van Lieren, zou Ed en Willem Bever in extase brengen, met loodsen vol stoomlocs (gehamsterd toen ze nog makkelijk te krijgen waren) en een station van lang voor de eerste Intercity.

De fabrieken uit diezelfde tijd maken het helaas veel minder goed, en bijna alles wat er nog staat is begin twintigste-eeuws. Bestendige benutting blijkt de beste bescherming - althans van het pand.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de mooie zeepfabriek van Klok uit 1902 in het centrum van Heerde. Aardig om te zien is zeker ook de Gazelle Rijwielfabriek in Dieren uit 1892. 'Wanneer men in deze fabriek een kijkje neemt', aldus een lijvig boek van de Provinciale Geldersche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer uit 1926, 'staat men verwonderd over het vele dat aan de rijwielfabricage in haar geheel vastzit, want de leek heeft er geen begrip van, wat er al moet gebeurd zijn, voordat een rijwiel compleet kan worden afgeleverd.' Dat geloven we direct, maar de vraag is: waar is al die fabrieksapparatuur van toen gebleven? Het behoud van oude fabrieken is mooi en goed, maar minstens zo essentieel was wat er indertijd binnen stond te razen, te beuken en te piepen. Wat is er gebeurd met de roerende goederen van onze industriële revolutie?

Grotendeels omgesmolten, dat is het gruwelijke antwoord. Sluiting of voortgezet gebruik - voor de inboedel is het lood om oud ijzer. Een oplossing valt evenmin te verwachten van herbestemming, het populaire compromis tussen behoud en vernieuwing waarbij soms alleen de voorpui blijft staan. De jongelui willen best een appartement in een oude textielfabriek, maar dan zonder een paar weefgetouwen in de kamer, of zelfs maar een aandrijfas langs het plafond.

De enige uitzondering van belang vormt een reeks stoomgemalen, waar de ketels, zuigers, vliegwielen en schoepenraderen nog niet zijn afgevoerd. Soms doen ze het nog voor toeristen op 'maaldagen'. Hertog Reijnhout bij Nijkerk - op kolen gestookt en met raderen aan de buitenkant - is als reservegemaal nog echt functioneel. Ook Europa's grootste nog werkende stoomgemaal, het dieselgestookte Ir. D.F. Woudagemaal bij Lemmer, komt soms nog in actie.

Een representatief restant van alle industriële techniek belandde in een forse reeks musea. Bezwaar blijft dat het ontbreekt waar het hoort, al was ook sprake van vooruitgang: van de machines van de industriële revolutie rest ons veel meer dan van de apparatuur die door de omwenteling zelf buitenspel werd gezet.

Geen pand werd ooit gebouwd als monument. Sommige worden dat na verloop van tijd, andere worden alleen maar oud. Dat laatste lot wacht waarschijnlijk de bouwwerken van de informatiemaatschappij van nu. Een van de redenen om zuinig te zijn op het industrieel erfgoed, is de hoge correlatie tussen functie en vorm. We bouwen ons tegenwoordig suf in Nederland, maar het is allemaal zo hopeloos multifunctioneel. De informatiemaatschappij veroorzaakt een ernstige verschraling van het landschap, het stadslandschap in het bijzonder.

Wie bij tegenwind het noorden van Delft binnenfietst, ziet en hoort niet alleen een paar mooie, grote, oude fabrieken, maar krijgt bij wijze van industriële toegift tevens een Calvé-Gist-Brocades-cocktail in het reukorgaan geperst. Zo hoort het ook: echte economische activiteit bereikt alle zintuigen. Maar bij het benaderen van Nieuwegein of Zoetermeer ruik je hooguit de gebakken lucht van wijken vol automatiseringsbedrijven en nondescripte consultants, gehuisvest in kleurloze nieuwbouw op laffe adressen als Wezelweide of Wortelakker (Zoetermeer), Luifelstede of Flamingo (Nieuwegein), dan wel Videostraat of Keiwierde (Almere).

Wat valt daarvan te behouden? Een toetsenbord, een chip, een stukje glasvezelkabel, een muis en een foto van Bill Gates, dan heb je het wel. Als 2096 of daaromtrent wordt uitgeroepen tot Jaar van het Informatieve Erfgoed, quod waarschijnlijk non, zal het accent moeten liggen bij perifere verschijnselen zoals kantoren en verkeer. Het Prins Clausplein is dan vermoedelijk een rijksmonument, de A 27-Stichting vecht voor het behoud van Nederlands laatste nog werkende benzinestation, het NMB-hoofdkantoor in Amsterdam Zuidoost (dan noordwest) herbergt het Geldmuseum.

De essentie van de samenleving van nu blijft ongrijpbaar. Internet & Co heeft zijn goede kanten, maar je kan er geen schop tegen geven. Nooit is zeker of het wel echt bestaat. Wie leeft en werkt temidden van dat soort diffuse grootheden - u, ik, wij allemaal - mist ook kansen op begrenzing van het zelf, op meting van de eigen krachten. Ook ons innerlijk landschap verschraalt.

In dat opzicht hadden ze het vroeger beter: niet alleen de arbeiders - zelfs de directeur en de burgemeester, die zich temidden van dikke rookwolken van Van Schuppen-sigaren uit Veenendaal verlustigden aan de aanblik van de nieuwe nijverheid, bij het maken van weidse armgebaren dan wel het doorknippen van linten niet gehinderd door hun zuiver wollen tricotondergoederen van het gedeponeerde merk Wolga uit Winterswijk, die als eerste ondergoederen in het land met het lichaam meebewogen, om vervolgens met de Uiver naar ons Indië te vliegen voor een jachtpartij op onze tijgers, of om zich naar een kuuroord in de Eifel te laten rijden in een Spijker, bestuurd door een chauffeur met een pet op die Willem heette.

En de arbeiders - zij arbeidden voort. Wat konden ze anders? - de sjouwers in de havens, de slijpers in de metaal, en niet in de laatste plaats de mijnwerkers in Limburg, die zich het vuur uit de sloffen en het stof in de longen groeven om al die machines op stoom te houden - bijvoorbeeld de honderden stoomweefgetouwen tussen Biesbosch en Peel, en van Oldenzaal tot Aalten, in een baaierd van lawaai en slechte ventilatie bediend door duizenden diep ongelukkige deernes die er amper in slaagden inslaggaren en weefspoel uit elkaar te houden, zuchtend bij de herinnering aan het hoeden van ganzen, het hekelen van vlas, het karnen van boter en al die andere bezigheden die het werk van machines zouden worden of al waren, snakkend naar het loonzakje met zes guldens en acht stuivers op zaterdag om zeven uur waar het allemaal om was te doen.

De stoom is opgetrokken, de machines zijn omgesmolten, de laatste fabrieksmeisjes zitten achter rijen geraniums in rusthuizen te Eibergen en Sint Oedenrode tevreden tegenover schoorsteenmantels vol ingelijste foto's van onzichtbaar aan beeldschermen vastgeketende kleinkinderen, de VVV zet een fietstocht uit, en wij zeggen: 'Kijk, wat een mooie oude fabriek!'