DE KNOPPEN VAN DE VOORZITTER

“Nee, u heeft het woord nièt!.” Met stemverheffing grijpt Tweede-Kamervoorzitter drs. W.J. Deetman (51) soms in, als een debat dreigt te ontaarden in spraakverwarring. Zo'n interventie is vrijwel altijd voldoende om het betreffende Kamerlid tot zwijgen of tot hooguit onverstaanbaar gepruttel te brengen.

De voorzitter heeft de leiding van de vergadering en Kamerleden buigen voor zijn gezag. Ze hebben hem tenslotte zelf uit hun midden gekozen; hij is een van de 150 leden. Het Reglement van Orde, dat door de Tweede Kamer is vastgesteld, vormt de basis voor zijn gezag. Bij het doen gelden daarvan heeft hij een paneel met knoppen tot zijn beschikking waarmee hij lampjes kan laten branden bij de microfoons van Kamerleden en ministers. Het zijn knoppen met termen als 'afronden' of 'nog 1 min.', die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Dat geldt trouwens ook voor de nog nooit gebruikte knopjes 'brand' en 'alarm'. Met 'prioriteit' bepaalt de voorzitter welk van de Kamerleden het woord mag voeren die achter een van de (vier) interruptiemicrofoons tegenover de spreker staan.

Lichaamstaal is nog wel zo belangrijk wanneer Deetman, de 66ste voorzitter sinds 1815, zijn autoriteit wil laten gelden. Een geïrriteerde blik, bijvoorbeeld, of krachtig nee schudden. Of een verbaal verzoek: “Wilt u afronden?” Het Reglement van Orde schrijft voor dat de spreker 'terstond' aan dit verzoek gevolg geeft. De praktijk leert dat Kamerleden dan meestal terugzeggen: “Voorzitter, nog eén zin dan”. Gewoonlijk volgt dan een serie bijzinnen.

Het in de gaten houden van de afgesproken spreektijden is een belangrijk onderdeel van de taak van de voorzitter. Dat is nauwelijks een hele dag vol te houden. Deetman laat zich regelmatig vervangen door een van de dertien ondervoorzitters, ook al omdat hij representatieve verplichtingen heeft.

Niemand in de Tweede Kamer wordt zo vaak aangesproken als de voorzitter. Dat is eenvoudigweg het gevolg van het gebruik dat Kamerleden elkaar noch de minister rechtstreeks aanspreken, maar dit via de tussenzin 'mijnheer de voorzitter' behoren te doen. De voorzitter moet goed letten op wat er wordt gezegd; een Kamerlid mag niet over een ander onderwerp beginnen dat op dat moment aan de orde is.

Wie beledigende termen gebruikt, kan rekenen op een vermaning van de voorzitter en krijgt de kans deze woorden terug te nemen. Wie zich in onparlementaire termen blijft uitdrukken, wordt het woord ontnomen en moet ook daarna verder zwijgen. Een Kamerlid dat zich herhaaldelijk aan vloeken en tieren bezondigt, kan op last van de voorziter uit de vergaderzaal worden gezet. Al dit onwelvoeglijke taalgebruik wordt uit het woordelijke verslag van de vergadering (de 'Handelingen') op last van de voorzitter weggelaten. Schelden mag niet in de Kamer en zeker niet op papier.