De hellemuil van Halfweg

In het polderrijke Nederland past in het jaar van het industriële erfgoed een loflied op het stoomgemaal. Het grootste dat (soms) nog werkt staat in Halfweg. Tijdens de Open Monumentendagen rookt de pijp weer.

Stoomgemaal Halfweg, Haarlemmermeerstraat 4, Halfweg. Geopend april t/m sept. woe en do 13-16 uur, za 10-16 uur. Tijdens de Open Monumentendagen, 14 en 15 september, wordt er vanaf 10 uur gestookt en van 12 uur tot 16 uur gedraaid. Er zijn ook stoomminiaturen te zien. Inlichtingen, ook over de draaidag 12 oktober: Inl. 075-642 18 41.

Een berg kolen, gitzwart en glimmend, ligt op de buitenplaats van het Stoomgemaal Halfweg. De kolen zijn de halve aardbol rondgereisd om hier te branden (zij komen uit Colombia), maar zo duur als zij zijn, kosten zij nog minder dan de milieuheffing die achteraf moet worden betaald voor het afvoeren van hun resten, een container vol as en slakken.

Een stoomgemaal als dit kan eigenlijk helemaal niet meer draaien in de moderne tijd. De energie die vereist is om de grote schepraderen in beweging te brengen is fenomenaal, het rendement ridicuul: 15 procent. Geschoolde vrijwilligers moeten het vaak zware en vuile werk doen. Er moet niet alleen gestookt worden, maar ook geveegd, gepoetst en gerepareerd, om nog te zwijgen van het rondleiden van bezoekers en het bedelen om fondsen.

Maar wie één keer, staande naast de stoker, door het ijzeren luik een blik heeft geworpen op de vlammenzee die raast in de grote ketel, wie in de machinekamer heeft meegemaakt hoe dat vuur via de stoomketel metersgrote tandwielen aandrijft - die ziet de noodzaak ervan in. Sterker nog, het is mogelijk dat de vurige gloed je bedwelmt met een opgetogen gevoel dat doet denken aan hoogtevrees, een redeloos verlangen om àlles in de hellemuil te gooien en te laten verbranden.

Zo kan een mens zich voorstellen dat de eerste stoommachines in de achttiende eeuw voor menigeen de vervulling leken van oude onheilsprofetieën. Het is geen wonder dat er mensen waren - zoals de oude Stastok in de Camera Obscura - die hun leven lang een onverzettelijke afkeer van stoommachines behielden.

Als niet een paar van dit soort machines blijft draaien, gaat een historisch belangrijke sensatie voorgoed verloren. Het beeld van de stoommachine, die ruim 150 jaar de belangrijkste industriële krachtbron is geweest, heeft zich vastgezet in het bewustzijn van de westerse mens. Zij is de machine-bij-uitstek: vurig, lawaaiig, slechts met zweet en noeste arbeid te bedienen. Gevaarlijk bovendien: elke stoomketel is een bom, waarin de druk kan oplopen tot 16 bar. In de vorige eeuw waren vreselijke ongelukken aan de orde van de dag. Nog steeds is in Nederland elke stoommachine onderworpen aan de officiële controle door het Stoomwezen.

Stoomkracht maakte het mogelijk om de grote waterplassen in te polderen die sinds eeuwen tussen Haarlem, Leiden, Gouda en Woerden lagen. De grootste plas van allemaal was het Haarlemmermeer; om dit leeg te pompen is in 1849 het beroemde Cruquius-stoomgemaal gebouwd. De Cruquius, een prachtig bakstenen kasteel met ijzeren armen, staat nog overeind in Vijfhuizen - maar hij is een gebalsemd lijk. Al in 1933 werd hij een museum. Ook hier voeren liefhebbers een moeizame strijd tegen verval, en er is hoop dat de gigantische zuigers ooit nog wel eens in beweging zullen komen - maar niet op stoomkracht, want de ketels zijn weg.

Anders is het met Halfweg, twaalf kilometer noordoostelijker. Het werd gebouwd in 1852, toen de Haarlemmermeer droog was. Gemaal Halfweg moest niet een diep meer leegzuigen, maar overtollig water uit de Ringvaart rond de nieuwe polder richting Noordzeekanaal stuwen. Om zeer grote hoeveelheden water over een betrekkelijk gering hoogteverschil heen te helpen waren schepraderen de aangewezen techniek. Het werden zes ijzeren gevaartes met een doorsnee van 7,5 meter, de houten schepvlakken twee meter breed.

Tot 20 april 1977 heeft het gemaal dienst gedaan. Toen nam een electrische installatie aan het Noordzeekanaal het werk over. Halfweg werd, zoals wel meer industriële monumenten, op het nippertje voor sloop behoed, er werd een stichting opgericht en geld gezocht voor het opknappen. Eén stookketel was al ontmanteld: de reserveketel, waarvan de ingewanden, grote bundels ijzeren buizen, nu aanschouwelijk maken hoe water tot stoom wordt verhit. Na een restauratie van ruim een miljoen gulden werd het gemaal in 1987 als museum ingewijd door Prins Claus. Hij mocht de hoofdstoomafsluiter openzetten. Opnieuw kon de 500 PK-Stork-stoommachine de raderen in beweging zetten.

Halfweg is niet het enige stoomgemaal dat nog kan draaien. Van de 700 die Nederland er ooit heeft bezeten zijn er nog een paar over. Maar Halfweg is wel het gemaal met de grootste capaciteit - 25 kuub water per seconde - en het enige waar de oorspronkelijke toestand zo goed bewaard is gebleven.

Helaas kan het gemaal lang niet elke dag draaien, zelfs niet ieder weekend, want dat kost te veel geld. Er zijn per jaar een twaalftal 'draaidagen', die zoveel mogelijk worden opgeluisterd met passende nevenactiviteiten. Dan komen er verzamelaars van miniatuur-stoommachientjes bij elkaar, of er worden oude ambachten bedreven. De nieuwste attractie zijn wildwaterkanoërs, die in het woelige water rond het draaiende gemaal hun kunsten vertonen. En soms is er een 'nostalgische avond' waarbij het complex is verlicht met olielampen en kaarsen, en muzikanten het publiek vermaken. Het gemaal draait ook in het komende open monumentenweekend, en dan nog één keer ter afsluiting van het seizoen, op 12 oktober.

Conservator Arie Molijn, eens werktuigbouwkundige op de grote vaart, probeert sponsors te vinden in het bedrijfsleven. Dat is nodig, want de subsidies worden steeds minder. En wat niet moet worden vergeten, als iemand ervoor betaalt (tussen 500 en 1500 gulden per keer) kan de ketel altijd een paar uur worden gestookt. Bedrijfsfeesten, fotosessies, trouwrecepties, alles is mogelijk, met of zonder catering.

Het is een vreemd idee, feestvierende kantoorklerken en huwelijksgasten temidden van de helse machines. Maar wat kan het schelen? Sta je op het loopbruggetje voor de schepraderen, de blik op de kolkende watermassa's, dan vergaat horen en zien je toch. Als er maar gestookt wordt, dat is waar het om gaat.