Cacao in Haarlem

In de tijd dat rokende schoorstenen nog stonden voor welvaart, hoorde bij iedere fabriek een karakteristieke geur. De fabrieken die nu nog draaien, doen dat vrijwel reukloos. Maar wie ooit gebrande koffie, ruwe cacao of de geur van de Zeepkeet opsnoof, vergeet die lucht nooit meer.

Als een vreemdeling in Haarlem de weg vraagt, krijgt hij steevast als antwoord: “Ken je Droste...?” Daar in de buurt is het, of niet. Bijna een eeuw lang domineerde de chocoladefabriek aan het Spaarne het stadsbeeld. En wie de fabriek niet kon zien, kon hem wel ruiken. Bij gunstige wind hing de cacaogeur over de hele stad. Volgens P.M.A. Puts (70), die 35 jaar bij Droste op kantoor werkte, verspreidde de fabriek wel vier verschillende geuren. De bitterzure geur van ruwe cacaobonen die hij het lekkerst vond. De geur van gebrande bonen, de zoete geur van de suikerwerkfabriek waar de meisjes het binnenwerk van de bonbons maakten en ten slotte de pure chocoladegeur van de vormerij. “Als een arbeider bij mij op kantoor kwam, kon ik precies ruiken waar hij werkte.”

Niet iedere Haarlemmer kon de zware geur van cacao waarderen. In feite was het stankoverlast die leidde tot de bouw van de fabriek in 1897. Aanvankelijk had de oprichter, G.J. Droste, een fabriekje in de kelder van zijn banketbakkerij in de Grote Houtstraat. De buurman, een huisarts, klaagde dat zijn patiënten nerveus werden van de cacaogeur. Hij spande een proces aan tegen Droste, die de uitspraak niet afwachtte, maar uit eigen beweging verhuisde naar het Noorder Buitenspaarne.

Puts heeft zich na zijn pensionering over het Droste-archief ontfermd; zijn feitenkennis is indrukwekkend. Van noord naar zuid langs het Spaarne lopend is aan de overkant de bouwgeschiedenis van Droste te volgen. Het noordelijkst ligt de oude branderij die in 1911 werd gebouwd door de architect J. van den Ban. De gevel bestaat uit grote, hoge ramen die samen een boog vormen. Daarnaast staat het fraaie pakhuis van J.J. van Noppen uit 1929. Honderden meisje met witte badmutsen op maakten daar vroeger het suikerwerk en pakten de chocola in.

Op één van de torens staat hét handelsmerk van Droste in tegelwerk: de verpleegster die een cacaobus vasthoudt, waarop een verpleegster staat die een cacaobus..., waarop een verpleegster ... Puts: “Het valt wel mee met dat droste-effect. Zelfs op het grootste blik kon je niet meer dan drie verpleegsters zien.”

Het pakhuis is gebouwd tijdens de grote expansiejaren van het bedrijf, toen de chocoladefabriek van klein familiebedrijf uitgroeide tot een wereldhandel. Het personeel profiteerde, dankzij allerlei extra voorzieningen, mee. Puts: “Er waren minstens 27 gezelligheidsverenigingen. Dat geeft wel aan dat de arbeiders het naar hun zin hadden.” Zo was er de Droste Boksclub, de Mondorgelclub en de Dameszangvereeniging Gitta. Voor de arbeiders die, ondanks het geldende snoepverbod, niet van de flikken konden afblijven, werd een tandheelkundige kliniek gesticht, waar kosteloos kiezen werden getrokken en het tandvlees behandeld.

Als trots boegbeeld van de fabriek kwam op het dak een tien meter hoog neonmannetje dat van verre was te zien. Het prachtig gestileerde figuurtje, met zijn lijf in de vorm van een Drosteflik, werd in 1930 ontworpen door de Fransman Cassandre. Helaas werd het enkele jaren geleden verwijderd omdat de nieuwe eigenaar van de fabriek, Dutch, geen reclame wilde maken voor een concurrent.

In de loop der jaren werden de voormalige Stoomververij en de scheepswerf Hubertina bij de fabriek getrokken. Geen interessante gebouwen, maar ze dragen wel bij aan de imposante gevelrij van de fabriek. In 1961 werd het laatste stuk gebouwd door W. van Harreveld, het enige gebouw dat nog in gebruik is.

Puts heeft in zijn 35 jaar bij Droste een tijd van grote bloei en van langzame neergang meegemaakt. Nu is het bedrijf (nog) onderdeel van de CSM en inmiddels naar Gelderland verhuisd. Ook chocolademaker Dutch heeft de fabriekspanden grotendeels verlaten. Alleen de cacao wordt nog in Haarlem gemaakt, door een handjevol personeel.

Als Dutch binnenkort ook de fabricage van cacao naar elders heeft verplaatst, wordt de fabriek gesloopt. De twee mooiste gebouwen, de branderij en het pakhuis, blijven waarschijnlijk staan. Daarin komen kleine bedrijfjes en woningen.

De verlaten fabriekshallen zien er nu nog troosteloos uit. Puts: “De buitenkant is heel mooi, maar van binnen is het niets meer. Het ziet eruit als een opgezet dier.”

Naar buiten lopend door de cacaobonenopslag valt nog een zachte zure geur te bespeuren en op weg naar het station komt soms een vlaag bonenbrandlucht langs fladderen. Maar veel is het niet.