Bezieling is verdwenen in laatste werken De Kooning

Willem de Kooning: late schilderijen 1981-1987. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. T/m 1 december, di-za 10-17u, zo 11-17u.

Wie het oeuvre van Willem de Kooning kent, dat in Nederland in 1983 voor het laatst te zien was op een schitterende overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum, kijkt in de zalen van museum Boijmans verbijsterd om zich heen. Hier hangen de late doeken van de grote schilder. Maar wég is de wellustige verfstreek, de woeste expressie, de stralende kleurenrijkdom van weleer.

Deze doeken zijn eerder getekend dan geschilderd. Hun kalligrafie is soms gracieus en verfijnd, maar lang niet altijd. Er zijn veel lege plekken, het wit overheerst. Het oppervlak is glad geschuurd, matte en glanzende delen wisselen elkaar af. De kleuren zijn beperkt tot ongemengd blauw, rood en geel. Rode en blauwe lijnen draaien als sierlijke linten over het doek. Hier en daar schemert iets van een onderliggende laag door het oppervlak: een schimmige vorm, de schaduw van een kleur. De ontelbare, bijna vertwijfelde overschilderingen en wegvagingen die vroeger resulteerden in complexe gehelen, zijn verdwenen.

Alleen in de werken uit 1981 zijn de bekende De Kooning-eigenschappen aanwezig. Hier is het pulserende ritme, de tastbare verfstreek, trillend van leven; het begerige kleurgebruik, die overweldigende sensatie van vrijheid en licht. Deze doeken zijn ook echt geschilderd, met forse streken. Ze zijn vol van atmosfeer, zoals het Untitled III, waarin een voluptueus vrouwenlichaam zich baadt in een warm zinderend geel. In de vlakke, decoratieve werken van na 1981 mis ik al deze eigenschappen. De ziel van de schilder is er in zoek.

De tentoonstelling, waarvoor 36 werken van 1981 tot 1987 werden geselecteerd, is georganiseerd door het San Francisco Museum of Modern Art in samenwerking met het Walker Art Center in Minneapolis. Het jaar 1981 markeerde voor De Kooning (die in 1904 is geboren in Rotterdam, en op 22-jarige leeftijd emigreerde naar Amerika) het einde van een periode van depressiviteit en lethargie, veroorzaakt door de ontwenning aan overmatig alcoholgebruik. Vanaf het einde van de jaren tachtig maakte de ziekte van Alzheimer hem het schilderen onmogelijk.

Er is veel gespeculeerd over schilderijen uit dit laatste decennium. Zo zouden assistenten, die De Kooning hielpen,overijverig zijn geweest. De werken zouden onder druk van de kunsthandel zijn ontstaan. (In 1989 werd het schilderij Interchange uit 1955 geveild voor bijna 21 miljoen dollar, een recordbedrag voor een werk van een levende kunstenaar.) Ook zouden al vóór 1987 geheugenverlies en afnemend oriëntatievermogen de schilder parten hebben gespeeld.

Bij een enkel werk uit 1987 geven de tentoonstellingsmakers zélf aan waar en hoe de hand van assistenten erin te ontwaren is. Dit is bevreemdend. Waarom zijn deze 'aantoonbaar on-authentieke' werken dan opgenomen; moet er tóch iets bewezen worden over de authenticiteit van het werk van voor 1986? Lisa de Kooning, de dochter van de schilder die sinds 1989 het oeuvre beheert (zijn vrouw Elaine is in 1987 overleden), zei over de tentoonstelling: “Mijn vader had bij deze werken controle over zijn schilderkunst. Wanneer je je hele leven schildert wordt het iets instinctiefs.”

Dat laatste is ongetwijfeld waar. Het probleem is alleen, afgaande op wat er te zien is, dat dit instinctieve niet voldoende is om bezielde schilderijen te scheppen. Wat is overgebleven is de herinnering aan een werkmethode, en aan de beweging van een hand - een meesterhand, dat wel. Zo keert een compositie gebaseerd op een houtskooltekening uit 1966 verscheidene malen terug. Maar het is alsof de magische verbinding tussen oog en hand is doorgesneden. Al beoefende De Kooning in het verleden een door het Surrealisme geïnspireerde automatische schriftuur, zijn werk verloor nooit het contact met de zichtbare wereld. Nu is dat contact er niet langer; zijn oog is naar binnen gericht, maar niet dankzij een wilsbeslissing.

De pleitbezorgers van het late werk van De Kooning zeggen over deze diepgaande stijlbreuk dat de ontwikkeling van De Kooning vaker dergelijke breuken heeft gekend, en dat deze laatste stijl gezien moet worden als een typische 'Altersstil', vergelijkbaar met de late stijl van de 'Papiers découpés' van Matisse. De Kooning was een groot bewonderaar van de knipselcollages van Matisse. Het kan zijn dat Matisse hem in die laatste jaren beïnvloed heeft. Maar dat verklaart toch niet een zó radicale verandering. Een 'Altersstil' kan onmogelijk betekenen dat al het voorafgaande verloochend wordt. Bij Matisse bevatten de Papiers Découpés juist de essentie van de 'luxe, calme et volupté' die hij zo lang had nagestreefd. Maar een dergelijke continuïteit is er in het geval van de laatste werken van De Kooning niet. Ze zijn het tegendeel van alles wat het wezen van zijn werk bepaalde. Van zijn afkeer van evenwicht en verfijning bijvoorbeeld. En van zijn onwil, of onvermogen, om een werk te voltooien. De worsteling met het doek kón hij eenvoudig niet beëindigen, omdat het beeld dat hem voor ogen zweefde hem steeds weer ontglipte. En juist om dat vluchtige - de herinnering aan een passerende vrouw in het drukke straatbeeld van Manhattan; de atmosfeer van een zonsopgang aan het strand op Long Island - was het hem te doen. 'Inhoud is een glimp van iets', zei hij ooit. Die strijd om het leven te herscheppen op het doek, waarin hij nederlagen leed maar vooral ook grote overwinningen vierde, is na 1981 verdwenen. Het overzicht van zijn laatste werken is interessant als document, maar het doet De Kooning geen recht.