Armoe en heet sop

In de tijd dat rokende schoorstenen nog stonden voor welvaart, hoorde bij iedere fabriek een karakteristieke geur. De fabrieken die nu nog draaien, doen dat vrijwel reukloos. Maar wie ooit gebrande koffie, ruwe cacao of de geur van de Zeepkeet opsnoof, vergeet die lucht nooit meer.

Iets ruiken is vaak een indringender ervaring dan het zien van een voorwerp. Ook in musea, vooral historische musea, beseft men steeds beter hoe geschikt geuren zijn om iets van het verleden op te roepen. Natuurlijk zijn er ook geuren van vroeger die niemand voor langere tijd om zich heen zou willen hebben. De stank van de grachten in de steden, waarop alles geloosd werd wat mensen kwijt moesten. De uitwaseming van de mensen zelf, hun ongewassen haar, hun ongepoetste tanden. Van leerlooierijen, die berucht waren om de weerzinwekkende lucht die zij verspreidden.

Maar iedereen die wel eens een minder afstotelijk geurtje uit zijn eigen kindertijd tegenkomt - of het nu griesmeelpap is of het binnenste van een oude eiken kast - weet hoe overrompelend de herkenning kan zijn, en hoeveel beelden met zo'n geur je hoofd in stromen.

Een jaar of zes geleden hield het Volkenkundig Museum in Rotterdam een tentoonstelling over specerijen, waar bezoekers door gaatjes in een tafel de geur van foelie en kruidnagel kon opsnuiven. Sindsdien raakt het ruiken in musea voorzichtigjes aan wijder verbreid. 'Levende' geuren komen duidelijk het beste over: geuren dus die horen bij een proces, bij verhitting, bij werk. Het eenvoudigste is wat dat betreft koken. Maar er zijn nog talloze andere ambachtelijke en industriële processen die typerende luchten kunnen verspreiden.

Nederlands geurigste museum is waarschijnlijk het Buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Daar wordt gestookt, gekookt en gerookt, en niet te vergeten gewassen dat het een lieve lust is. Horen en zien zijn er maar oppervlakkige zintuigen: wat je ruikt, daar gaat het om.

In het Urker buurtje, waar gekostumeerde personages levende geschiedenis verbeelden, staat in het huis van een vissersweduwe op een turfkacheltje een pan bruine bonen te pruttelen - zonder spek, want de vrouw is arm. Bezoekers verdringen zich in het smalle gangetje om te zien hoe zij met haar dochter aan tafel gaat; vóór het eten wordt uit de bijbel gelezen. Intussen hecht de nogal bedompte geur van armoede anno 1905 zich voorgoed in het geheugen van de toerist.

Even verderop, waar het Zoutkamp anno 1935 is, kan de bezoeker als hij geluk heeft zelf meeëten: aardappelkoekjes, sla, spek of een gehaktballetje zijn op een petroleumstel bereid. Veel bezoekers slaken bij het betreden van van het keukentje al kreten van herkenning. Zo rook het bij oma, bij tante Mien, vroeger thuis!

Elders op het museumterrein staat een bakstenen gebouw uit IJsselmuiden met een kleine fabrieksschoorsteen ernaast. Het is een oude stoomwasserij. Via een drijfas en lange leren riemen zijn wasketels, wringers en mangelpersen aangesloten op een stoommachine. De geur van kolendamp wordt geheel overvleugeld door die van heet zeepsop, die opstijgt uit de schuddende en draaiende ketels met wasgoed. De warme dampen verspreiden zich bij iedere beweging. Zij zijn waarneembaar tot voorbij het bleekveld, waar eerder gewassen lakens in de zon liggen om wit en geurig te worden.

Vlak bij de IJsselmeerdijk hangt een veel penetrantere geur. Hier wordt in een oliedrum en een oude vlasoven vis gerookt. Een zware, vettige lucht slaat naar buiten als de deur van de oven (oorspronkelijk bestemd om vlas te drogen na het weken in de sloot) open gaat. Aan lange pennen hangen de één jaar oude haringen te veranderen in goudglanzende bokkingen. Je kunt ze kopen: de nog warme, gerookte visjes vinden gretig aftrek, en terecht. De geur is trouwens duurzamer dan de vis. Zelfs als je je handen na het eten grondig afspoelt onder de ouderwetse, koperen kraan, ruik je hem uren later nog aan je vingers.

De zeilmakerij, het taanhuis uit Marken, ook zij zijn met gesloten ogen te herkennen aan hun markante geuren. En ook op de Peperzolder in het Binnenmuseum, waar op ingenieuze wijze de sfeer van een oud VOC-pakhuis is herschapen, is van alles te ruiken. Maar wat de neus betreft kan 'binnen' niet op tegen 'buiten'. Het mooist is nu eenmaal een half-vertrouwde geur die wordt verspreid door de wind, door beweging. Die dringt - met geluk - rechtstreeks door naar je ziel.

Het Zuiderzeemuseum is nog tot en met 27 oktober geopend en blijft dan tot het voorjaar dicht; terwijl het Binnenmuseum tot medio 1998 gesloten is, gaat de Peperzolder tegelijk met het Buitenmuseum in maart 1997 weer open. Adres: Wierdijk 18, Enkhuizen, Inl 0228-310122.