Acties mogen, maar niet te luid graag

Actie voeren behoort bijna tot de dagelijkse folklore in het centrum van Den Haag. Demonstraties zijn vaak het sluitstuk van werk dat eerder achter de schermen is verricht.

Het veroorzaakte een opstootje, twaalf jaar geleden. Premier Ruud Lubbers bleek zijn handtekening te hebben gezet onder een brief waarin stond dat demonstraties “in toenemende en niet meer aanvaardbare mate overlast bezorgen aan de Binnenhofbewoners”. Of de burgemeester daar niet wat aan kon doen.

De premier had wat uit te leggen. Immers, hoe meer demonstraties, des te gezonder de democratie. Moest de premier er niet trots op zijn dat tot onder de ramen van het parlement de stem van het volk opklonk? Het was een misverstand. Lubbers dacht dat hij de brief had ondertekend op verzoek van het parlement; het stuk was echter opgesteld door ambtenaren voor wie het geluid van steelbands, het verbranden van poppen en het opzetten van circustenten op het monumentale Binnenhof te veel was geworden.

Maar ondanks alle steunbetuigingen aan de demonstratievrijheid door Lubbers, toenmalig Kamervoorzitter Dolman en verder elke parlementariër die erop werd aangesproken, werd ook duidelijk dat er iets wrong. Demonstraties oké, maar overschreeuwden de demonstranten zich niet zo nu en dan? En werkte dat niet averechts?

Deze dubbele houding is niet minder geworden sinds de meeste demonstraties elders worden gehouden als gevolg van de verbouwing en nieuwbouw van de Tweede Kamer. Petities, waarvan demonstraties vaak de ondersteuning vormen, worden tegenwoordig meestal in ontvangst genomen aan het Plein. Toen Binnenhof 1a enige tijd geleden na een restauratie als ingang weer in gebruik kwam, is dat zo gebleven. De hal daar is kleiner en ligt verder uit de loop. Dat zou minder aandacht van parlement en media betekenen, zo was de gedachte.

Maar met het toenemen van het aantal demonstraties lijkt het belang ervan afgenomen. Menig Tweede-Kamerlid glipt ongemerkt langs de groepjes van enkele tientallen demonstranten die zich een paar keer per week melden bij de ingang aan het Plein. Ook journalisten gaan aan deze, mede op publiciteit gerichte betoginkjes schouderophalend voorbij.

Er moet tegenwoordig dan ook onderscheid worden gemaakt tussen de semi-professionele demonstranten, die weten wat een demonstratie vermag en wat niet, en degenen voor wie het de eerste keer is. Ieders petitie wordt in ontvangst genomen en de kans dat fracties zich meer door de inhoud van de boodschap dan door de vorm van de demonstratie laten leiden, is redelijk groot - ondanks de moordende concurrentiestrijd om aandacht.

Fracties zullen altijd proberen aanwezig te zijn bij het aanbieden van een petitie, want dat is kiezersbinding en het luisteren naar de stem van de maatschappij. Soms vaardigen ze iemand naar de hal af wiens werkterrein het niet direct betreft, maar die net een kwartiertje missen kan. Petities en demonstraties zijn onderdeel van het overbeladen parlementaire handwerk geworden.

Intussen is het onbetwist dat het overbrengen van de boodschap meer vergt dan enkel een demonstratie. Wie vaker demonstreert, is daarvan op de hoogte. Neem Milieudefensie. Temidden van het geweld van de vele, ook steeds ludiekere demonstraties weet deze organisatie altijd weer de aandacht op zich te vestigen. Toen het kabinet debatteerde over de uitbreiding van de nationale luchthaven, voeren op de Hofvijver bootjes van Milieudefensie. Het geluid van brullende vliegtuigmotoren, afkomstig uit meegebrachte geluidsinstallaties, klonk tot in de Trêveszaal, waar de ministerraad vergadert. De demonstratie had geen invloed op de besluitvorming, maar daar ging het ook niet om. Het was slechts de bedoeling dat niet alleen het glunderende gezicht van minister Jorritsma de toonzetting in de media zou bepalen.

Semi-professionele demonstranten weten dat een demonstratie het sluitstuk is van voorwerk achter de schermen. Dat ligt ook voor de hand. Veel demonstraties worden gehouden op de dag dat de Tweede Kamer over het onderwerp vergadert. Dan zijn de meningen al gevormd en vaak al op papier gezet. Milieudefensie, maar bijvoorbeeld ook de LSVb, de landelijke studentenvakbond, hebben een fijnvertakt netwerk van ambtelijke en parlementaire contacten. Dáár kunnen ze werkelijk invloed uitoefenen - vooral bij onderwerpen waarvoor met geen mogelijkheid een demonstratie valt te organiseren.

Ze helpen mee aan het schrijven van moties, organiseren studiedagen voor de opstellers van partijprogramma's en maken handig gebruik van de vele kleine fracties - de uitkomst van een stemming hangt soms af van één of twee ouderenpartijen. Een beetje kenner van de parlementaire discussies kan hele passages in teksten van Kamerleden terugvoeren op de organisatie die ze heeft 'ingestoken'.

Dit soort belangenorganisaties, waartoe bijvoorbeeld ook de vakbeweging behoort, weet ook precies wanneer een demonstratie wèl van invloed is. Vaak gaat het dan om de geregisseerde volkswoede van een massademonstratie - van duizenden boze boeren, verpleegkundigen, politie-agenten, ouderen of studenten. Dat leidt tot publiciteit en opinievorming in de media waaraan het parlement doorgaans niet voorbij gaat. In zo'n geval hoeft een demonstratie ook niet plaats te hebben op een vergaderdag van de Tweede Kamer. Zelfs niet in Den Haag.

Het aantal grote demonstraties is de afgelopen jaren niet veel gegroeid. Een mensenmassa op de been krijgen, is nog even moeilijk als twintig jaar geleden. Er zitten ook risico's aan vast, zoals het uit de hand lopen van de demonstratie. Dat zorgt voor een averechts effect. De demonstranten verspelen hun goodwill en de aandacht gaat naar de gebeurtenissen in plaats van naar de zaak waar het allemaal om begonnen was.