Van paarse pensioenrevolutie profiteert vooral de overheid

Nederland gidsland is in de pensioenwereld een gouwe ouwe. Het pensioenstelsel heeft genoeg geld om aan zijn verplichtingen te voldoen, maar het kabinet vindt de regelingen te riant en vreest de oplopende pensioenpremies voor de vergrijzende bevolking. Het moet anders. Meer markt, minder solidariteit. “Maar waar is het maatschappelijk draagvlak?”

De Nederlandse pensioenwereld, de beheerders van bijna 600 miljard belegd vermogen voor de oudedagsvoorziening van zo'n 10 miljoen Nederlanders, is overrompeld, verbijsterd en naarstig op zoek naar tekst en uitleg. Staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken (VVD) heeft een revolutie aangekondigd in het beheer van pensioenregelingen en de keuzevrijheid van de burgers daarin. Zijn plannen zijn een cocktail die een links-liberaal kabinet wel aanspreekt: vrijheid, solidariteit en lagere lasten voor de overheid.

“Maar waar is het maatschappelijk draagvlak? De werknemers zijn tegen, de werkgevers ook, evenals de pensioenfondsen. Dat is een dusdanige lobby dat zij in de Tweede Kamer wel invloed hebben”, zegt drs. H. van Wijnen, directeur van de actuariële adviesgroep van het accountantskantoor Moret Ernst & Young, die bedrijven adviseert over pensioenen en arbeidsvoorwaarden.

De plannen van De Grave worden beschreven in twee nota's (Werken aan zekerheid en Marktwerking en flexibilisering van pensioenen) die rondom Prinsjesdag zullen verschijnen. In grote lijnen zien de plannen er als volgt uit. Tot een salaris van 76.000 gulden (de huidige premiegrens voor werknemersverzekeringen) blijft een werknemer verplicht aangesloten bij de pensioenregeling van zijn werkgever, daarboven komt meer vrijheid. De koppeling van het bedrijfspensioen aan het laatst verdiende loon (70 procent van het eindloon) wordt losgelaten. Het gemiddelde loon dat een werknemer gedurende zijn loopbaan heeft verdiend, wordt de nieuwe norm (opnieuw 70 procent, maar dan van het middelloon) voor het bedrijfspensioen.

Op die manier wil de overheid vele vliegen in eén klap slaan. Het nieuwe systeem moet arbeid goedkoper maken (dalende premiekosten zorgen voor lagere arbeidskosten en stimuleren banengroei) en de pensioenvoorziening efficiënter (meer vrijheid lokt concurrentie uit: betere service, betere beleggingsresultaten). En een middelloonsysteem moet (oudere) werknemers mobieler maken. Wie op latere leeftijd een andere baan accepteert met minder salaris is in een middelloonsysteem geen dief meer van zijn eigen pensioen.

“Ik hoop dat de overheid de veranderingen niet gaat afdwingen”, zegt W. van Manen, hoofd arbeidszaken bij de Rabobank, de een na grootste Nederlandse bank die in 1989 al - voor nieuwe medewerkers - overstapte op het middelloonpensioen. Van Manen: “Enkele weken geleden hield De Grave nog een pleidooi voor de instelling van deelnemersraden bij pensioenfondsen, zodat gepensioneerden nauwer betrokken worden bij de fondsen en nu schrijft de overheid zelf de veranderingen voor. Het pensioensysteem is en blijft een zaak van werknemers en werkgevers, niet van de overheid.”

De Rabobank is een van de 273 pensioenfondsen met een middelloonsysteem. Deze 273 fondsen nemen samen 9 procent van het belegde vermogen van alle 1.042 pensioenfondsen voor hun rekening, zo blijkt uit gegevens van de toezichthoudende Verzekeringskamer.

Pensioenen zijn weerbarstige materie: iedereen heeft er mee te maken, maar de meeste mensen onder de veertig denken er niet over na, weet Van Manen, die eerder dit jaar de Industriebond FNV adviseerde toen Philips pensioen op basis van middelloon invoerde. De keuzes die over pensioenen worden gemaakt zijn niet alleen een politiek-ideologisch vraagstuk, zij hebben ook vergaande gevolgen voor consumptie en economische groei, voor de loonkosten van ondernemingen en voor de arbeidsvoorwaarden van de werknemers. Wie aan het pensioensysteem gaat sleutelen moet niet raar opkijken als er elders in de samenleving onvoorspelde en ongewenste effecten optreden, zoals grotere inkomensverschillen, hogere looneisen en vluchtiger investeringsgedrag bij beleggers.

De Nederlandse pensioenvoorziening bestaat sinds de na-oorlogse wederopbouwperiode uit drie lagen. De eerste laag is de AOW (voor iedereen, gefinancierd door een jaarlijkse heffing over werkenden). De tweede is een bedrijfspensioen (gebaseerd op de arbeidsrelatie met een werkgever; 85 procent van de Nederlandse werknemers doet daar op een of andere manier aan mee). Of iedereen de 70 procent haalt, is overigens twijfelachtig. Dit percentage is gbaseerd op een carrière van 40 jaar. De werkelijkheid is dat mensen (door langere scholing) later beginnen te werken en (door de VUT of WAO) eerder stoppen.

Typerend voor het pensioensysteem is de verplichte deelneming van de werkgevers in de meeste bedrijfstakken en de ijzersterke financiering van de pensioenvoorziening. De deelnemers stoppen geld in een grote pot, waaruit nu en straks de pensioenen worden betaald. Door de lange tijdshorizon van deze fondsen (35 tot 40 jaar) kunnen tegenvallende rendementen op beleggingen of periodes met galopperende inflatie door de huidige en toekomstige pensioengerechtigden worden opgevangen. Jaarlijks wordt er zo'n 20 miljard gulden pensioenpremies betaald.

De derde, bovenste laag in het Nederlandse stelsel betaat uit aanvullende individuele pensioenen, zoals koopsompolissen, die mensen naar eigen inzicht en financiële draagkracht kunnen opbouwen. In de verkoop van deze individuele regelingen zijn de verzekeraars heer en meester dankzij fiscale voordelen die aan deze polissen zijn gekoppeld, al zijn er steeds meer banken en pensioenfondsen die zelf een verzekeraar oprichten voor dit marktsegment.

De structuur van de drie lagen blijft in de kabinetsplannen intact, maar de onderlinge verhouding wordt radicaal gewijzigd. Tot 76.000 gulden blijft solidariteit de norm, daarboven niet meer. De plannen zijn deels gebaseerd op recente voorstellen van PvdA-Kamerlid J. van Zijl voor versobering van de AOW en de bedrijfspensioenen. Van Zijl wil onder meer op een middelloonpensioen overschakelen om een inherente onrechtvaardigheid weg te nemen: in het eindloonsysteem wordt het pensioen van carrièremakers vooral betaald door de collega's die geen snelle salarissprongen maken.

De lobby voor versobering - Haags jargon voor verarming - is al een tijdje gaande. Minister Melkert (PvdA, Sociale Zaken) pleitte twee maanden geleden al voor middelloon en versobering van de pensioenrechten. Directeur dr. F. Don van het Centraal Planbureau concludeerde een maand daarvoor dat op pensioengebied 'waarschijnlijk veel mensen oververzekerd zijn'.

De AOW wordt al een decennium lang niet meer aangepast aan de loonstijgingen, maar slechts aan de inflatie. Daardoor werd de druk groter op de bedrijfspensioenen om de achteruitgang van de AOW te compenseren. Menig pensioenfonds heeft stilzwijgend en conform een patriarchale traditie de relatieve teruggang van de AOW gecompenseerd bij zijn deelnemers, zoals ook menig fonds is ingesprongen toen de overheid zich uit sociale verzekeringen terugtrok, zoals het 'ANW' gat, dat per 1 juli moest worden gedicht.

Nu ook het bedrijfspensioen met de overstap naar middelloon wordt verzwakt, stijgt de druk in de derde laag van het systeem: bij de individuele regelingen. Wanneer de verplichte deelneming aan de pensioenvoorziening van de werkgever boven de 76.000 gulden loongrens verdwijnt, krijgt de individuele werknemer meer vrijheid om zijn eigen pensioenzaken te regelen. Dat betekent meer concurrentie van pensioenfondsen met verzekeraars en banken om deze indiviuele pensioenregelingen - een markt van zeker tientallen miljarden guldens - uit te voeren. Pleitbezorgers voor meer marktwerking in het pensioensysteem zijn de ministers Zalm (VVD, Financiën) en Wijers (D66, Economische Zaken), het Verbond van Verzekeraars en de OESO, de economische denktank van de industrielanden.

“Het aangrijpingspunt van een middelloonsysteem om af te komen van de gedwongen winkelnering van werknemers en werkgevers in een pensioenregeling is oneigenlijk”, vindt dr. A. Boot, hoogleraar ondernemingsfinanciering en financiële markten aan de Universiteit van Amsterdam. Pensioenen zijn onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, vindt hij, en daarmee het domein van werkgevers en werknemers. “Als de overheid zegt: wij willen een minimumpensioen, dan moet zij de AOW eerder verhogen dan verlagen, en verder pure marktwerking. De individuele werknemers de vrijheid bieden om zelf iets extra's te doen. Dit voorstel getuigt van weinig visie.”

De verplichte deelneming is het afgelopen jaar inzet geweest van verschillende onderzoeken om te zien of marktwerking betere resultaten tegen minder kosten kon opleveren. Dat heeft geen eenduidige uitkomsten voor of tegen opgeleverd. De verplichtstelling is niet het enige kritiekpunt van de liberale lobby. Dankzij de kapitaaldekking worden kolossale bedragen bij - vrijwel letterlijk - een handvol pensioenbeheerders geconcentreerd, die hun gang kunnen gaan zonder dat pensioengerechtigden of anderen daar veel controle op hebben.

Ook over het economisch nut van zoveel sparen bestaat twijfel. De betaalde pensioenpremies zijn gedwongen besparingen, waar individuele burgers geen enkele greep op hebben. Zij kunnen niet zeggen: ik spaar wat minder voor mijn pensioen, en ik ga vaker op vakantie of ik koop een jacht.

De werknemer is beknot in zijn vrijheid, de werkgever heeft bij voorkeur oog voor de kosten. De hoogte van de pensioenpremies is een factor van betekenis in de arbeidskosten en daarmee in de concurrentiepositie van bedrijven. Het pensioensysteem heeft invloed op de banengroei en de groei van de economie. Hoge pensioenpremies zijn overigens geen weggegooid geld. De premiegelden worden belegd en zijn de belangrijkste grondstof op de kapitaalmarkt. De overheid financiert daarmee zijn begrotingstekorten. Bedrijven trekken op de kapitaalmarkt het geld aan dat nodig is voor verdere expansie.

Invoering van middelloon reduceert de pensioenpremies, en verlaagt daarmee de arbeidskosten. Het gaat daarbij jaarlijks om een besparing van 1,3 tot 1,4 procent van de loonsom, zo heeft het CPB vorig jaar intern voorgerekend. Dat komt neer op ongeveer 4 miljard gulden. Deze bedragen komen overeen met becijferingen van twee medewerkers van de Verzekeringskamer, de toezichthouder op de pensioenfondsen en de verzekeraars, in het economisch weekblad ESB.

Doorslaggevend voor de Rabobank om een middelloonstelsel in te voeren waren volgens Van Manen niet de kosten. Het past beter bij een toenemend gebruik van variabele beloningen voor werknemers (zoals winstdelingen, bonussen) en bij een personeelsbeleid waarin mensen bijvoorbeeld tussen hun 45ste en 50ste op de top van hun kunnen (en hun salaris) zitten. “Het kostenniveau was niet dominant bij de keuze voor middelloon, wel het arbeidspatroon.”

Of een middelloonsysteem in de praktijk ook goedkoper zal uitvallen, is de vraag. Dat hangt bijvoorbeeld af van de fiscale maatregelen die genomen zullen worden voor de aftrek van de pensioenpremies boven de 76.000 gulden. Boot verwacht dat de carrièremakers die merken dat zij zelf niet meer profiteren van de solidariteit van minder verdienende collega's in een pensioenfonds, extra looneisen zullen stellen om hun achteruitgang te compenseren.

Het gunstigste effect van een middelloonsysteem en lagere premiekosten incasseert de overheid zelf: zij is de grootste Nederlandse werkgever. Nu het ambtenarenpensioenfonds ABP met ingang van 1 januari officieel is geprivatiseerd, kan de overheid als 'eigenaar' geen greep in de kas meer doen bij het fonds. Vorig jaar betaalde de overheid ruim 4 miljard gulden premie aan het ABP, maar de verwachting is dat deze uitgaven zullen stijgen, onder meer omdat mensen langer leven en pensioen genieten, zonder dat daar al voor gereserveerd is. Daarvoor is 40 miljard tot 65 miljard gulden extra nodig, waaraan het ABP als grootste fonds ook de grootste bijdrage moet leveren.

De grootste wijziging in de uitvoering van de pensioenregelingen zit in het schrappen van de verplichte deelneming voor mensen die meer dan 76.000 gulden verdienen. Daarmee neemt het kabinet al een voorschot op een proef met grotere pensioenvrijheid die nog moet beginnen bij enkele vrije beroepen, zoals advocaten, notarissen en accountants. Directeur Van Wijnen van Morets actuariële adviesgroep verwacht dat het kabinet in deze bovenste pensioenlaag zal kiezen voor een nieuw premiesysteem dat in Nederland mondjesmaat wordt ingevoerd, maar in Amerika al razend populair is.

Daarbij krijgt een werknemer van zijn bedrijf een vastgesteld bedrag, dat hij zelf naar eigen goeddunken kan beleggen voor zijn oudedagsvoorziening. Voor de financiële sector is dat een fantastische markt, maar met grillige bijverschijnselen (malafide bemiddelaars, die weer overheidstoezicht uitlokken) en ongelijke uitgangsposities tussen banken, verzekeraars en vermogensbeheerders (produkten van verzekeraars zijn nu fiscaal bevoordeeld).

Wanneer particulieren zelf moeten beleggen zullen zij meer oog hebben voor kortstondige koersbewegingen dan de pensioenfondsmanagers nu, zo is de verwachting, en daarmee financiële markten wispelturiger maken. De inkomensverschillen kunnen eveneens toenemen. Waarom niet eerst dat jacht kopen en dan aan het pensioen denken? “Ik weet het niet”, zegt Van Manen. “Er kan afgunst zijn als de buurman eerst dat jacht heeft. Maar als zij elkaar later na hun pensionering weer tegenkomen zijn de rollen omgedraaid.”

    • Menno Tamminga