Niveau 1

Een paar jaar geleden zag ik op de Amerikaanse televisie een vrouw die bekende dat ze zeven variaties avondeten op haar programma had. In de supermarkt herkende ze aan de plaatjes op de wikkels wat er in de blikken zat. Ze kocht geen nieuwe produkten zonder duidelijke plaatjes, omdat ze de aanwijzingen voor de bereidingswijze niet kon lezen.

Een paar dagen geleden verscheen op de Nederlandse televisie iemand die vrijwel hetzelfde verhaal vertelde, zij het dat ze zich intussen het lezen had eigen gemaakt. Daarna kwam er een man die uitriep: “Dat vervloekte papier!”, waarmee hij het papier bedoelde bedrukt met tekst die hij niet kon lezen. Gelukkig had hij een vrouw die het wel kon.

Deze geboren en getogen Nederlanders waren aangevoerd als voorbeelden bij het nieuws over een onderzoek naar de “functionele geletterdheid van volwassenen in Nederland” van het Max Goote Kenniscentrum, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Functionele geletterdheid wordt omschreven als “het beheersen van de basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen die nodig zijn om in het dagelijks leven te functioneren”. Men onderscheidt drie niveaus waarvan het laagste, niveau 1, staat voor “zeer eenvoudige geletterdheid-taken zoals het kunnen vinden van de nodige informatie in een simpele tekst”. Daarna wordt het steeds moeilijker. Het proza van het Kenniscentrum hoort in ieder geval niet tot de opgaven die door de mensen van niveau 1 nog tot een goed einde zullen worden gebracht.

Het blijkt nu dat ongeveer 10 procent van de Nederlanders zich op dit problematisch genoemde niveau 1 bevindt. Dat is in verhouding tot het buitenland niet slecht. Alleen Zweden en Duitsland doen het beter; Polen met 40 procent het slechtst. Dan komt niveau 2: “het vinden van benodigde informatie in een meer complexe tekst en meer begrip voor de samenhang in een tekst”. Op dit niveau bevindt zich 25 tot 30 procent van de beroepsbevolking. Het Kenniscentrum tekent daarbij aan dat het de vraag is of dit niveau voldoende is om in de kenniseconomie en informatiemaatschappij “die ons te wachten staan” te functioneren. Minder behoedzaam uitgedrukt: 10 procent van de Nederlanders rommelt maar wat aan op goed geluk en 25 tot 30 procent is niet berekend op de ingewikkelder taken die men moet kunnen uitvoeren om zijn weerbaarheid straks te kunnen handhaven.

Wie functioneel ongeletterd is hoeft nog geen analfabeet in de volstrekte zin te zijn. Zo iemand kan bijvoorbeeld nog wel de eigen naam lezen en schrijven, kent de naam van zijn voetbalclub, de helft van de letters van het alfabet, maar het is al zeer de vraag of de functioneel ongeletterde weet welke naam bij het portret van de minister-president hoort, of bij dat van de minister van Onderwijs. Buiten het kleine gebied van het dagelijks leven wordt de f.o. overrompeld door radeloosheid. Dat zullen, denk je al gauw, dan wel de bejaarden zijn die geen raad weten met de chipkaart en de kaartjesautomaten in de stations. In de 'Notitie voor de pers' constateert het Kenniscentrum: “Opvallend is dat rond de 8 procent van de leeftijdsgroep van 16 tot 19 jaar niet verder komt dan niveau 1. (-) Nadere analyse moet uitwijzen hoe deze lage score, vlak na de leerplicht, verklaard moet worden.”

In het gisteren verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau staan een paar aanwijzingen. Ik citeer uit een samenvatting: “Wat moet een onderwijzer doen met een jongetje dat moe en hongerig op school komt? Met de rekenles beginnen of hem een boterham geven en te slapen leggen?” Eerst de boterham, dan het rekenen, vindt staatssecretaris Netelenbos, maar de Tweede Kamer is tegen; wil van de school geen weeshuis maken. Dit is een kras en eenvoudig voorbeeld. De rest is veel ingewikkelder; sommige conclusies daarentegen weer gemakkelijk te begrijpen. Het beleid van de minister en de staatssecretaris “botst op meerdere punten met de maatschappelijke werkelijkheid”.

Nederland heeft twee werkelijkheden. De ene is die van een zich energiek moderniserend land, dat steeds meer televisiekanalen heeft, tunnels graaft, stadions bouwt, op het Internet surft, in de file zit, met meer dan twee betaalpasjes door het leven gaat en zich met deze stand van zaken graag mag feliciteren. De andere werkelijkheid, uitvoerig in het rapport van het

beschreven, zien we vooral in de grote steden. Dat is het opmerkelijke: het is voor wie zijn ogen de kost geeft, al jaren te zien. Je hoeft niet per se een paar rapporten te lezen om erachter te komen dat in de grote steden iets ontstaat, een soort van subsamenleving waarvoor het woord getto nog te groot is, maar in ieder geval een afdeling die niet meer meedoet met de rest. Dan, van tijd tot tijd, verschijnen de rapporten die dit op grond van wetenschappelijk onderzoek vaststellen en elkaar bevestigen. De nog altijd niet opgeloste woningnood in de steden, slapende kinderen in de klas, tien procent functioneel ongeletterden - een zekere samenhang valt te vermoeden. Niets blijft ononderzocht in Nederland. Dat maakt het in ieder geval gemakkelijker om later vast te stellen waar het toen mis is gegaan.

    • H.J.A. Hofland