Klimaatverandering eist politieke keuzes

DEN HAAG, 11 SEPT. De politiek moet drastische keuzes maken in de strijd tegen de klimaatverandering als gevolg van menselijk handelen. Hoewel er wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het klimaatvraagstuk, is duidelijk dat het serieus genomen moet worden. De politiek kan het tegenover toekomstige generaties niet verantwoorden nu af te zien van beleid.

“We moeten het zekere voor het onzekere nemen”, aldus Kamerlid E. van Middelkoop (GPV), voorzitter van de tijdelijke commissie klimaatverandering die vanmorgen het eindrapport presenteerde. “Wij staan op het punt een ecologische grens te passeren. Als we niets doen, verliezen begrippen als rentmeesterschap en duurzaamheid hun betekenis.”

De zeskoppige Tweede-Kamercommissie werd in december ingesteld, met als opdracht het verwerven van meer inzicht over klimaatverandering en het formuleren van conclusies die de politiek zou moeten trekken, als uit het onderzoek van de commissie zou blijken dat menselijk handelen leidt tot een opwarming van de atmosfeer die onnatuurlijk en ongewenst is.

De commissie, die de afgelopen maanden tijdens hoorzittingen wetenschappers en maatschappelijke organisaties aan de tand heeft gevoeld, begon haar opdracht met scepsis over het verband tussen klimaatverandering en menselijk handelen. Uit het eindrapport blijkt dat de commissie nu unaniem de conclusie onderschrijft van het Intergovernmental Panel in Climate Change (IPCC), het wetenschappelijke VN-forum dat dit verband eerder legde.

“De politieke discussie draait niet langer om de vraag óf er een probleem is - dat is er - maar om wat daaraan moet worden gedaan”, aldus Van Middelkoop. De commissie meent dat Nederland in de eerste helft van de volgende eeuw een vermindering van de broeikasgassen CO

, methaan en lachgas met enkele tientallen procenten kan bewerkstelligen. Over hoe dat precies moet, doet de commissie geen uitspraak.

In het rapport zijn slechts een aantal criteria opgesomd, zoals haalbaarheid, kosten en draagvlak, waaraan mogelijke maatregelen getoetst kunnen worden. Op basis daarvan moet de politiek een keuze maken die volgens Van Middelkoop “niet vrijblijvend” is. “Wil een politieke partij een bepaalde maatregel niet, bijvoorbeeld kernenergie invoeren, dan moet zo'n partij zwaarder inzetten op een andere maatregel. Als Tweede Kamer kunnen wij op dit rapport worden afgerekend - wat hebben jullie ervan gemaakt.”

Eerder rekende minister De Boer (VROM) in haar Klimaatnota voor dat een vermindering van het belangrijkste broeikasgas CO

met veertig procent in 2020 Nederland 56 miljard gulden zou kosten. Internationaal heeft Nederland zich verplicht tot een stabilisatie van de CO

-uitstoot vanaf het jaar 2000. Een vermindering hoeft alleen als ook andere landen daaraan meedoen.

Ook in het eindrapport van de klimaatcommissie wordt geconcludeerd dat “het voor de hand ligt dat de verplichting (tot een vermindering van broeikasgassen) in Europees verband wordt overeengekomen”. Tegelijk is de commissie van oordeel “dat in Nederland grote potentie is om door technologische verbeteringen en vernieuwingen op de middellange termijn aanzienlijke emissiereducties te realiseren”. Energiebesparing bij bedrijven en in gezinnen is het meest kansrijk als mogelijke beleidsmaatregelen worden getoetst aan de criteria van de commissie. Toch moeten in de ogen van de commissie ook knopen worden doorgehakt over mobiliteit en kernenergie.