'Frankrijk zal op het Europese slagveld zijn'

Charles Millon, de Franse minister van Defensie, komt morgen naar Nederland voor overleg met de regering en een lezing over Europese defensie. Hij geeft leiding aan de grootscheepse reorganisatie die Frankrijk met een flexibel beroepsleger terug moet brengen in het hart van een vernieuwde NAVO.

Nederland doet hetzelfde. Omdat men een beroepsleger krijgt, laat dat leger een eventueel Europees slagveld nog niet in de steek. President Chirac heeft kanselier Kohl over deze kwestie verschillende keren gerust gesteld.'' De vraag aan Charles Millon was: kunt u zich voorstellen dat de Duitsers bang zijn met een dienstplichtig massaleger achter te blijven op het Europese slagveld van de toekomst terwijl Frankrijk zich met een flexibel beroepsleger specialiseert op spectaculaire internationale vredestaken met een hoog politiek profiel?

Zal Frankrijk meevechten in de Europese veldslag van morgen? Millon: “Natuurlijk. Frankrijk zal van de partij zijn in de Europese veldslag. Het heeft zich de verdediging van het continent tot taak gesteld. Als er een slag om Europa moet zijn, met welke tegenstander dan ook, dan zal Frankrijk zijn verantwoordelijkheden niet ontlopen.”

Een Frans minister van Defensie is geen opperbevelhebber van de strijdkrachten, dat is de president van de republiek, maar hij is wel de man die leiding moet geven aan een belangrijk veranderingsproces: de inkrimping en omvorming van een van de grootste en kostbaarste krijgsmachten van Europa tot een flexibel inzetbaar beroepsleger dat binnen de NAVO meer dan welke land ook gestalte geeft aan een Europese defensie-identiteit.

Charles Millon (50) presenteerde zich eind '94 nog even als presidentskandidaat namens de christen-liberale UDF, ooit opgericht om het presidentschap van Valéry Giscard d'Estaing ('74-'81) te ondersteunen. De respons op Millons beschikbaarheid was beperkt. Ondanks zijn verwantschap met de regering-Balladur wist Millon betrekkelijk geruisloos en vroegtijdig steun te betuigen aan de campagne van neo-gaullist Jacques Chirac. Het leverde hem een van de mooiste en moeilijkste ministerschappen op. Gisteren ging het sociale onrust-seizoen van start in de Franse marinewerven, waar onder Millons verantwoordelijkheid sterk wordt gesnoeid.

De afgelopen tien jaar is de Franse defensiebegroting veel minder sterk gedaald dan die van belangrijke bondgenoten als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland. Had dat militaire redenen? “Alle Westerse landen hebben het eind van de Koude Oorlog aangegrepen om hun uitgaven te verminderen. In Frankrijk is de vermindering van de defensie-uitgaven later totstandgekomen omdat het belangrijkste materieel van de krijgsmacht tegelijkertijd aan vervanging toe was. Daardoor moesten we aanzienlijke bedragen blijven uitgeven terwijl de partners al bezuinigden. Frankrijk kende bovendien tussen 1993 en 1995 een situatie van politieke 'cohabitatie' tussen een president en een eerste minister die niet tot de zelfde parlementaire meerderheid behoorden. De belangrijkste militaire vragen bleven daardoor onbeantwoord.”

De Franse regering heeft ingrijpende maatregelen voor de defensie-industrie aangekondigd. Kunt u die op korte termijn doorvoeren, gezien de nog steeds oplopende werkloosheid? “Er zou geen gemeenschappelijke defensie- of veiligheidspolitiek zijn zonder versterking van de industriële capaciteiten van Frankrijk en Europa. Wij moeten de Europese industrie een voldoende omvang geven om de concurrentie in de wereld aan te kunnen en markten te veroveren. Wij zien dit alles in een context van expansie, en in geen geval in een recessie- en werkloosheidsperspectief. Ontslagen mogen het uiteindelijke doel niet verhullen: de ontwikkeling van bedrijvigheid en welvaart. De wil om die Europese industrie te bouwen wordt door allen gedeeld.”

Heeft de val van de Muur het Frankrijk mogelijk gemaakt zich weer richting NAVO te bewegen, of heeft de NAVO daardoor meer begrip ontwikkeld voor de constante Franse ambitie een echte Europese defensie tot stand te brengen? “De 'NAVO-machine' moet soepeler worden. We moeten veiligheid ook exporteren naar gebieden waar troebelen schadelijke gevolgen kunnen hebben voor leden van het bondgenootschap. In die omstandigheden kan geen enkele lidstaat worden gedwongen te handelen op een tevoren bepaalde wijze: de NAVO moet dat nieuwe gegeven weerspiegelen. De organisatie moet lichter worden en haar structuur aangepast aan de werkelijke uitdagingen. Die hele ontwikkeling gaat duidelijk in een door Frankrijk gewenste richting. Daardoor wordt de vraag van onze eventuele hernieuwde participatie in de militaire structuur van de NAVO in geheel nieuwe termen gesteld. De ervaringen in Bosnië zijn op het praktische vlak in zekere zin vooruitgelopen op de hervormingen waar aan wordt gewerkt. Daaruit blijkt dat de NAVO een nuttig militair element kan zijn ten dienste van de internationale gemeenschap en Europa zelf.

“Men kan met even veel recht zeggen dat de afgelopen periode Frankrijk de gelegenheid heeft gegeven meer samenhang te brengen in zijn Europese veiligheids- en defensiepolitiek. Wij konden onze positie ten opzichte van het Atlantisch bondgenootschap al doende verduidelijken. Frankrijk heeft Europa natuurlijk nooit tegen het bondgenootschap willen opzetten, maar haar in december 1995 aangekondigde volledige deelname aan de politiek-militaire organen zoals de Atlantische Raad van ministers van defensie of het Militaire Comité stelt Frankrijk in staat twee ambities te verenigen: voortgang maken in de richting van een Europese defensie én een sterk Atlantisch veiligheidshuis in stand houden.”

Welke daden en tekens zijn er nog nodig voordat Frankrijk weer helemaal plaatsneemt in de rangen van de NAVO? “De vraag is niet of Frankrijk weer volledig opgaat in de NAVO-rangen. De NAVO is trouwens geen leger waar men zich in laat opnemen. De vraag is veeleer te bekijken of de positieve resultaten van de ministeriële bijeenkomsten in Berlijn en Brussel van voorjaar 1996 in daden worden omgezet. Het is essentieel dat de hervorming van de leidinggevende structuur de Europeanen enerzijds een permanente en zichtbare vertegenwoordiging geeft en anderzijds de mogelijkheid eigen operaties uit te voeren met gebruikmaking van de middelen van het bondgenootschap, wanneer de bondgenoten het daarover eens zijn. Het is daarom van belang langs de hele hiërarchische keten van de NAVO vast te stellen wat noodzakelijke Europese elementen zijn. In hetzelfde perspectief moeten we de inzet van 'combined joint task forces' voorbereiden. Naarmate dat soort resultaten zijn geboekt zal Frankrijk vollediger deelnemen aan de nieuwe organisatie die voortkomt uit die veranderingen.”

Wat zijn de concrete obstakels die moeten worden overwonnen voordat Frankrijk weer voor honderd procent kan plaatsnemen in de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO? “Er is geen obstakel. Het is een weg die moet worden gevonden. Het ligt voor de hand dat de vernieuwing van het bondgenootschap hand in hand gaat met de verzekering van de Europese defensie-identiteit. Om die reden zeggen wij duidelijk dat wij volledig zullen deelnemen aan de militaire organisatie van het Atlantisch bondgenootschap als de voorwaarden daartoe aanwezig zijn.”

Wat zijn die voorwaarden? “Het minimum dat wij verlangen is dat SACEUR, de opperbevelhebber van de NAVO in Europa een Europese plaatsvervanger heeft, aangewezen door de WEU (de beoogde defensietak van de Europese Unie - red.) en in staat zowel de normale functies van een plaatsvervangend Saceur te vervullen als de Europese identiteit binnen de NAVO te belichamen. Dat is het begin. Wij willen een verdeling van verantwoordelijkheden tussen Amerikanen en Europeanen.”

Als dit het begin is, wat wilt u dan nog meer? “Het is aan de andere landen daarover met Frankrijk te onderhandelen.”

Verliest het Eurokorps, het gemeenschappelijke leger waaraan onder andere Frankrijk en Duitlsand deelnemen, niet aan geloofwaardigheid door de ingrijpende Franse troepenreducties? “Frankrijk ziet nauwlettend toe op het goed functioneren van het Eurokorps. De Franse inbreng wordt eenvoudig aangepast aan de geleidelijke terugtrekking van een groot deel van de in Duitsland gestationeerde Franse troepen. De tot nu toe aan het korps opgedragen taken zullen steeds meer worden overgenomen door andere eenheden die in Frankrijk zijn gelegerd.”

Nederland heeft een gemeenschappelijk legerkorps met Duitsland gevormd. Vindt u het wenselijk dat Nederland zijn houding ten opzichte van het Eurokorps herziet? “Het Eurokorps, waar op het ogenblik vijf landen aan deelnemen, blijft een relatief recente schepping die desondanks snel zijn eigen evenwicht en operationele capaciteiten heeft bereikt. Als Nederland mee wil doen is het aan Nederland om dat te zeggen.”

Zou u het nuttig vinden als Nederland mee ging doen? “Ik juich iedere stap toe die het mogelijk maakt de Europese defensiestructuur te versterken. Het Eurokorps maakt deel uit van die structuur. Dat neemt niet weg dat het bestaan of de vorming van andere grote multinationale eenheden, zoals het Duits-Nederlandse legerkorps, initiatieven zijn die evenzeer bijdragen aan een Europese veiligheidsarchitectuur.”

Welke vooruitgang in de militaire samenwerking staat u toe te spreken van een Europese pilaar binnen de NAVO? Ziet u daarbij een hoofdrol weggelegd voor de WEU? “In het slotcommuniqué van de Berlijnse conferentie van NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken werd de WEU 29 keer genoemd. Dat bewijst hoe zeer die organisaties aanvullend en niet concurrerend zijn. Het gaat er dus niet om te weten welke van de twee organisaties op welk moment de boventoon moet voeren. Zij hebben allebei hun rol. De NAVO beschikt over enkele troeven: allereerst de aanwezigheid van de Verenigde Staten in haar midden, plus werkelijke ervaring met militaire samenwerking, en vervolgens de multinationale middelen die door de lidstaten ter beschikking zijn gesteld. De WEU beschikt niet over de zelfde middelen, maar heeft als voordeel dat het een natuurlijke omgeving is voor samenwerking tussen Europese landen. Van dat kader moeten de Europese landen zowel op politiek als militair terrein zien te profiteren om zich de middelen te verschaffen voor samenwerking op gebieden die hen in de eerste plaats aangaan en om hun standpunten op defensie- en veiligheidsgebied op elkaar af te stemmen. Wij moeten die middelen ontwikkelen, vooral de gemeenschappelijke training van troepen, om een gezamenlijke militaire praktijk van de WEU-lidstaten op te bouwen, in volkomen overeenstemming met die van het Atlantisch bondgenootschap. Maar het belangrijkste is dat de Europese Raad (de regeringsleiders van de EU-landen) de hoogste besluitvormende instantie wordt op het gebied van defensie en veiligheid.”

Is Europa in staat vredesoperaties te lanceren, waar de Amerikanen niet aan meedoen? “Het afgesproken concept van de 'combined joint task forces' ontneemt de grond aan uw vraag. Er zullen 'task forces' zijn die gegarandeerde logistieke steun van de Navo krijgen. Dat is nu juist het principe van die task forces.”

En als de Amerikanen zeggen dat de AWACS-verkenningsvliegtuigen niet beschikbaar zijn? “Ik zou wensen dat wij over eigen technische middelen beschikken. Een bondgenoot die onafhankelijk van geest is en autonoom in zijn handelen, is een betrouwbare bondgenoot. De Europeanen moeten zich waarnemings- en verkenningsmiddelen verschaffen. Om die reden sta ik ook achter het Helios satelliet-programma, waar wij samen met Duitsland aan werken. Niet omdat ik twijfel aan de Amerikanen, maar je vormt een bondsgenootschap met landen die niet alleen over gemeenschappelijke middelen en opvattingen beschikken, maar ook over gelijkwaardige middelen.”

Tot de nieuwe speerpunten van Frankrijks defensie-inspanning behoren onder andere internationale vredesmissies. Heeft u vertrouwen in toekomstige samenwerking met de Nederlandse krijgsmacht, vooral ook gezien de recente ervaring bij het drama van Srebrenica? Nederlandse officieren hebben de indruk geuit dat generaal Janvier als VN-commandant vooral gehoorzaamde aan bevelen uit Parijs. “Franse soldaten hebben in ex-Joegoslavië onder delicate omstandigheden moeten werken, schouder aan schouder met hun kameraden van verschillende nationaliteiten binnen het VN-verband. Zij hebben zich moedig en met zelfverloochening van een moeilijke humanitaire taak gekweten. De prijs was 55 doden en meer dan 600 gewonden - velen van hen zullen de sporen voor altijd in hun lichaam meedragen. Bij deze operaties is de Frans-Nederlandse samenwerking van een uitstekende kwaliteit geweest, vooral binnen de Rapid Reaction Force die onze beide landen samen met de Britten hebben gevormd. Iedereen is het eens over de beslissende rol die die interventiemacht heeft gespeeld bij het afdwingen van de vrede.

“Wat betreft de gebeurtenissen in Srebrenica: generaal Janvier, die toen commandant van UNPROFOR was, heeft strikt gehandeld binnen het kader van de voor ex-Joegoslavië geldende VN-regels, het enige kader waarbinnen hij destijds functioneerde.”

Hebben de aanhoudende Nederlandse verzoeken om een onderzoek inzake Srebrenica u geërgerd? Charles Millon, na lang nadenken: “Ik ben van mening dat discretie in dit soort situaties gepast is. Ik begrijp de hardnekkigheid niet goed waarmee sommigen naar schuldigen zoeken.”