Foti

Wij hadden nog lang niet het gevoel dat ze al op leeftijd waren, onze katten van een jaar of elf, de gebroeders. Een jaar of elf, dat komt zo'n beetje neer op vijfenvijftig, dachten we in termen van mensenjaren.

Een paar jaar ouder dan ik zelf dus. Dat ze intussen en daarnaast toch ook zo iets zijn als de jongere leeftijdgenoten van mijn twee dochters - van wie ze, voor zoverre ze van iemand zijn, dan nog het meeste zijn, dat hoort allemaal bij de dubbele verschijningsvorm van de kat. Hij is klein en groot, hij is jong en oud. Het nooit in twijfel getrokken perspectief was tot dusver altijd dit geweest: op een gegeven moment gaan de dochters de deur uit, en de gebroeders blijven.

Nooit wat gemankeerd, de broers; tot de laatste vakantie dan. Omdat zij met hun tweeën zijn, en wij zo'n nogal gehaast gezin vormen, met veel agenda's en aflossingen van de wacht, hebben we de gezondheidstoestand van Foti - zo heet de kat over wie het hier zal gaan - misschien een beetje gebagatelliseerd. Wat natuurlijk ook een goed algemeen uitgangspunt is: neem de dingen nooit direct op volle zwaarte, daar zou je al snel krankzinnig of log van worden.

Maar dan nog: zijn kattegriep duurde veel te lang. Het beest at niet of nauwelijks meer en lag maar wat te liggen op naargeestige plekjes. Een schim van zichzelf, vel over been. Toch was ons vertrouwen in zijn oerkracht eigenlijk nog altijd ongeschokt. Nog maar weer eens naar de dokter dan: griep zou nu toch al lang over moeten zijn? De dokter, ik was er totaal niet op verdacht, wou hem eigenlijk meteen houden en opereren, vandaag nog. Dit dier was stervend, zo zei hij.

Nu moest ik niet in tranen uitbarsten maar nadenken, zo goed en zo kwaad als dat ging. Opereren, waaraan dan? Dat wist hij nog niet. En ook niet of het zin zou hebben hem te opereren. Daarvoor was een kijkoperatie vereist, misschien direct gevolgd door een chirurgische ingreep. Tenzij dat wat hij binnen aantrof volkomen hopeloos was. In dat geval deed zich de vraag voor van het eventuele 'inslapen'. En daarvoor moest ik, onnozele hals, toch eigenlijk nietsvermoedend gekomen met het arme dier, nu plotseling in mijn eentje beslissen?

De kinderen waren nog op vakantie, ieder in een ander buitenland. Mijn vrouw was net als ik weer aan het werk. Plotseling was Foti's sterfelijkheid ingetreden. Rond de sterfelijkheid, zo bleek weer eens, of het nu om een dier of om een mens ging, dat maakte niet uit, rond de sterfelijkheid zat toch altijd een soort van stolp, tot nader orde. Net zoals de noodrem in de trein achter een ruitje zit. Nu werd dat ruitje ingeslagen en ging de stolp aan gruzelementen.

Ik bezag het vermagerde huisdier, dat nauwelijks meer over de kracht beschikte van de onderzoekstafel af te willen, met andere ogen. Algemene sterfelijkheid, ja, die is genoegzaam bekend. Maar de sterfelijkheid van deze betrekkelijk kleine cyperse kater met zijn voorheen zo welvarende vacht, zijn gretig loodrecht omhoog gestoken stevige staart, zijn enthousiaste meehollen de trap af, zijn vorstelijke wangpartij, zijn heel speciale geluidje, dat wij het briesje noemen - zijn hoogst speciale sterfelijkheid, die trad nu dus pas in.

De arts zag mijn verwarring. Hij probeerde mij te laten voelen wat zijn handen zoëven gevoeld hadden. Om mij zijn nog niet te helemaal preciseren zorgen te laten delen, inzake nieren, in het betere geval, of andere organen. Hoe dan ook was het daar veel te dik. Maar mijn handen konden of wilden niet voelen wat de zijne gevoeld hadden, wie weet vonden ze het ongepast. De vraag bleef: meteen hier laten? Erbij blijven, in de wachtkamer of elders? Naar huis? Met of zonder Foti? Vandaaruit telefonisch overleggen met mijn vrouw? Of vanuit deze praktijk, zoals de arts opperde?

Inmiddels hebben we achter de rug: een operatie waarbij vrijwel de hele darm is weggehaald wegens wel of niet uitgezaaide kanker; opleving; hernieuwd gebraak en wegschuilen in sombere hoekjes; en toen toch weer een opleving. Het de patiënt toegedachte perspectief heeft heen en weer geschommeld tussen maanden, dagen, weken. De blijdschap over simpele verrichtingen: hij drinkt weer! Hij heeft een beetje gegeten! Hij heeft niet gebraakt! Hij heeft geprobeerd op de tuinmuur te springen! Zijn gespin komt weer op sterkte!

De al dan niet tijdelijke wending heeft zich precies voltrokken in een weekend waarmee wij al heel lang andere plannen hadden dan thuis te blijven. Terdege voorbereide plannen waarin een naast familielid, zelf op precaire leeftijd, centraal stond. Ik zal ze hier niet openbaren. Ik volsta er mee, te bekennen dat het ons moeite kostte, ervan af te zien. Maar we hebben, zij het voor ons eigen gevoel niet helemaal echt, een ogenblik lang overwogen om gehoor te geven aan een lichte suggestie van de dierenarts, betreffende de complicaties van het sterven in een weekend. Geen kwaad woord, hoor, over die arts. Maar hij gaf ons te verstaan dat het lijden van een dier geen pretje was. En indien euthanasie, dan op vrijdag. Want dat er tijdens het weekend daartoe verder geen mogelijkheid bestond.

En wij? Nou ja: wij hebben weer eens begrepen, inderhaast, hoe haaks de dood staat op welke planning dan ook. Ja zeg, de dood zal eens een keer gelegen komen, in die ademloze agenda's van ons.