Een tevreden rookster

Als ik aan kom fietsen zie ik een oude vrouw zitten voor het open keukenraam. Ondanks de stralende voorjaarsochtend geeft dit een vreemde aanblik, want de wind voelt nog fris aan. Op het gezicht van de vrouw valt een mengeling van nieuwsgierigheid en wantrouwen te lezen.

“Mot u hier wezen?” De vrouw heeft een zuurstofslangetje in haar neus dat er tijdens het spreken uit glipt. Met een geïrriteerd gebaar duwt ze het terug. Nadat ik haar verteld heb dat ik van de wijkverpleging ben en inderdaad bij haar moet zijn, roept ze me toe: “Ik kan zelf de deur niet open doen, u mot aanbellen bij de buurvrouw!”

Via de bovenbuurvrouw kom ik binnen. Door de openstaande slaapkamerdeur zie ik een grote zuurstoffles staan waaruit een slang zich een weg kronkelt door het huis. Ik hoef hem maar te volgen om in de keuken te komen waar de vrouw in een kanariegele ochtendjas aan de tafel zit. Tussen haar trillende vingers bungelt een lange filtersigaret.

“Zo, heeft u het kunnen vinden?” De toon in haar stem is iets vriendelijker dan zoëven. Op de tafel staat een enorme asbak, afgeladen met sigarettenpeuken. Het gevaarte heeft veel weg van de wieldop van een auto.

Met veel moeite draait de vrouw zich van de tafel af, en ze wijst op een bankje. Ik begrijp haar bedoeling en schuif het onder haar voeten. Tot mijn grote verbazing blijkt de vrouw over een paar kolossale onderbenen te beschikken die in schril contrast staan met haar spichtige gezicht en uitgedroogde handen. Het lijkt wel of al het vocht uit haar lichaam zich in deze onderbenen bevindt; de huid doet denken aan een zak die op knappen staat. De strijd tussen het hart en de zwaartekracht lijkt definitief in het voordeel van de laatste te zijn beslist.

“Ze zijn weer dik hè, vindt u ook niet?” merkt de vrouw op. “Het lijkt wel weer erger te worden.”

Ik knik en begin de benen in te zwachtelen met elastische verbanden. Onderwijl becommentarieert de vrouw dit dagelijkse ritueel breedvoerig: “Niet te strak, hè... Ja goed zo... Nee, nee, jongen! Ook weer niet te los.”

Met de brandende peuk van haar sigaret steekt de vrouw een nieuwe op. De eerste haal veroorzaakt een piepende hoestbui en de tranen lopen haar over de wangen. Ze ziet mijn verbazing en pinnig reageert ze: “Van de dokter mag ik roken, hòòr. Alleen géén zware sigaretten.” “Rookt u?” haar stem heeft nu een zalvende toon aangenomen. “Wilt u een sigaret? Ach toe, ga effe zitten.”

Even later zit ook ik met zo'n lange filtersigaret tussen mijn vingers waar voor mij als shagroker smaak noch kraak aan is. De vrouw voelt zich duidelijk meer op haar gemak nu ze in mij een bondgenoot heeft. Ze brengt haar hoofd op samenzweerderige wijze naar mijn oor en vertrouwt mij toe: “Wist u dat het eigenlijk nooit is bewezen dat roken slecht is?” Ik schud van nee en de sigaret smaakt me nu helemaal niet meer. Ik druk hem uit en kan het niet nalaten op te merken: “Ik denk trouwens ook niet dat u het nog zal meemaken dat dit bewijs gevonden wordt.”

Tegelijkertijd heb ik weer spijt van deze opmerking. Natuurlijk weet deze vrouw dat roken slecht voor haar is, iedere sigaret vertelt haar dit. Maar het roken is de enige afleiding die haar nog rest in het leven, en moet ze zich daarover nu de hele dag schuldig gaan zitten voelen? Of erger nog: moet ze rekenschap afleggen van het feit dat roken misschien wel voor een belangrijk deel heeft bijgedragen aan haar huidige misère? Laat haar maar in de illusie dat het allemaal wel meevalt, te redden valt er toch niet veel meer.

“Ach”, herstel ik mij: “van koffie zeggen ze ook dat het niet best is, maar toch drinkt iedereen het nog elke dag...”

De vrouw knikt tevreden en steekt er nog eentje op.