Een tamelijk oud beroep

Hoe mooi blijft dat toch: een inkijkje in een beroep.

In de schrijvende journalistiek heeft de Amerikaan Studs Terkel ('Working') dat alweer vijfentwintig jaar geleden prachtig gedaan met allerlei interviews, later nagevolgd door Martin Schouten ('Werk'). In het genre van de documentaire kom je het minder vaak tegen. Gisteravond dook plotseling zo'n portret op in Picture this, de serie korte, vaak briljante documentaires die de BBC 2 elke dinsdagavond uitzendt.

In Life at a premium volgde de camera verzekeringsagent Wayne Percival van de Wesleyan Financial Services. Percival spoedde zich op het bevroren, witte platteland in zijn auto van het ene adres naar het andere. Daar wachtte hem onveranderlijk een sceptisch reagerend echtpaar, dat hem naast zich op de lelijke sofa klemde.

Percival haalde dan zijn draagbare computer tevoorschijn en liet zijn klanten de laatste sterftecijfers zien. Zóveel kans is er dat u al vóór uw vijftigste overlijdt, zóveel kans dat u uw zeventigste nooit haalt. En dit zijn de financiële gevolgen als u deze risicovolle toekomst zonder een goede levensverzekering tegemoet gaat.

“Maar ik wil helemaal niet over al die pessimistische dingen praten”, riep een nog jonge mevrouw uit.

Dan bedaarde Percival haar met een kwinkslagje hier en een knipoogje daar. Nooit onaangenaam worden (bijvoorbeeld: ,Sterf, mens!'' roepen), altijd met de zachte stem van de geduldige overreding blijven praten. Regelmatig ook rechtstreeks het woord richten tot de heer des huizes, want zij gaat over de emoties, maar hij over het geld.

Percival had iets wat in dergelijke beroepen onontbeerlijk is: de intuïtie om met mensen van diverse pluimage om te kunnen gaan. Aan een oude, alleenstaande vrouw die hem tussen haar vermolmde meubilair ontving, paste hij zich net zo gemakkelijk aan als aan al die wantrouwige echtparen.

Misschien was zijn grote kracht dat hij zijn klanten niet het vel over de oren haalde. Hij wist wanneer hij moest ophouden. Dan zei hij gewoon: “Denk er nog eens een paar weken over na.” Tegen zijn volgers zei hij later: “Het probleem van verzekeringen is dat je iets verkoopt dat ze niet kunnen zien. Als ze er niet in geloven, moet je niet verkopen. Ik vertel de mensen de waarheid. Als ze niet willen luisteren, is dat hun zaak.”

Percival vertelde dat hij en zijn collega's onder grote druk van het management van de Wesleyan moesten werken. “Ik denk vierentwintig uur per dag aan mijn beroep.” We zagen hoe de verzekeringsagenten op de jaarlijkse bedrijfsbijeenkomst werden toegesproken door muffe heren, die zelf nooit naar al die echtparen-op-de-sofa toe hoefden. Eén manager zei dat hij genoeg had van die eeuwige verkoperssmoesjes over klanten die overdag moeilijk bereikbaar waren. Hij somde minutenlang de beroepen op van potentiële klanten die wél overdag thuis zijn: muzikanten, verpleegsters, onderwijzers, kappers...

Terwijl ik Percival welgemoed zijn bezoeken zag afleggen, drong het geleidelijk tot me door waarom ik met een mengeling van vertedering en ontroering naar hem moest kijken. Ik zag voor het eerst mijn vader aan het werk. Hij had hetzelfde beroep, maar veertig jaar eerder. Ik heb hem er veel over horen praten, want hij hield van zijn werk, maar ik heb het hem nooit zien doen. Als hij 's avonds laat thuiskwam, vroeg ik hem vaak: “Heb je nog een mooie post afgesloten?” Maar ik had geen idee van de oceanen van geduld die hij elke dag weer moest oversteken om zijn afwachtende klanten te bereiken.

“Het is geen sprint van honderd meter”, zei de barse manager tegen Percival en zijn collega's, “het is een marathon.” Hij had net zo goed kunnen zeggen: het is het leven.