Wonen; Kabinet werkt eenzijdige bevolking in wijk in de hand

De woningnood in Nederland is nog altijd niet voorbij. Tot het jaar 2010 zullen er ongeveer 900.000 nieuwe woningen moeten worden gebouwd en ook daarna is de huizenhonger niet gestild. Dat komt door de voortgaande groei van de bevolking (15,6 miljoen nu, naar verwachting 16,9 miljoen in 2010, en mogelijk oplopend tot een maximum van 17,7 miljoen in 2035), veranderingen in huishoudenssamenstelling (meer alleenstaanden), en na 2010 in toenemende mate de vervanging van te slopen woningen.

Over wat mensen willen van hun toekomstige huis worden regelmatig uitvoerige enquêtes gehouden. Die woonvoorkeuren zijn door de jaren heen tamelijk stabiel, met twee wel duidelijk onderscheidbare trends. De eerste is dat de belangstelling om een huis te kopen gestaag toeneemt, vooral onder gezinnen met kinderen, paren en starters op de woningmarkt. Van de gezinnen met kinderen bijvoorbeeld wil zeventig procent liever kopen dan huren, in 1981 was dat nog maar 53 procent. Groei van de welvaart is hiervan een belangrijke oorzaak.

De tweede trend is dat alle categorieën huishoudens meer ruimte willen - meer vierkante meters, vooral in de woonkamer. In de voorkeur voor flats of eengezinswoningen treden slechts geringe verschuivingen op. In het bouwprogramma tot 2010 is ruim zestig procent van de vraag gericht op eengezinswoningen.

Maar bouwen doet men niet alleen voor wie nu een huis zoekt. De meeste huizen blijven immers honderd jaar of langer staan, en de mensen voor wie ze ooit zijn gebouwd, zijn dan al lang dood. Volkshuisvestingsbeleid is regeren over het graf. Als dat beleid in de afgelopen decennia één ding heeft geleerd, is het dat een eenzijdige woningvoorraad in een wijk een groot risico in zich herbergt dat daar een eenzijdige bevolkingssamenstelling ontstaat. Het kabinet heeft dat de laatste jaren onbedoeld verergerd.

De oorzaak daarvan is gelegen in het bestrijden van het zogeheten scheefwonen: mensen met hoge inkomens moeten uit goedkope huizen, mensen met lage inkomens uit dure huizen. Met name dat laatste lukt aardig, dankzij veranderingen in de regels voor woonruimteverdeling. In 1990 woonden nog 160.000 huishoudens met een laag inkomen in een dure huurwoning, in 1994 nog maar 117.000. Het omgekeerde lukt echter niet: nog steeds wordt veertig procent van alle goedkope huurwoningen bewoond door mensen met een relatief hoog inkomen. Dat komt overigens niet, of in elk geval niet alleen, doordat die mensen denken: ik woon lekker goedkoop, ik ga hier nooit meer weg. Het komt ook doordat de grenzen van de categorie 'goedkope woningen' de laatste jaren flink zijn opgeschroefd, de inkomensgrenzen veel minder.

Omdat goedkope huurwoningen vooral in grote aantallen bij elkaar zijn gebouwd, verwachtte het SCP twee jaar geleden dat er door het anti-scheefwonenbeleid wijken zouden ontstaan waar nog vrijwel uitsluitend huishoudens met lagere inkomens wonen. Dat is niet uitgekomen, omdat het aantal mensen dat 'te goedkoop' woont, tegen de bedoelingen van het beleid in, op peil is gebleven. Het omgekeerde is daarentegen wel gebeurd: in wijken met veel dure huurwoningen en koopwoningen is het aandeel van huishoudens met een laag inkomen snel gedaald. Er zijn dus wel degelijk inkomenswijken aan het ontstaan in Nederland, constateert het SCP nu, alleen worden die niet gekenmerkt door een concentratie van lage inkomens, maar door een concentratie van hoge inkomens.

Al neemt het aantal huishoudens met een laag inkomen dat een duur huis bewoont af, toch kampen steeds meer huishoudens aan de onderkant van de inkomensladder met relatief hoge woonlasten. Het percentage huishoudens dat meer dan een kwart van het inkomen aan wonen uitgaf steeg van 14 procent in 1981 tot 25 procent in 1994. Dat komt doordat de huren sneller zijn gestegen dan de inflatie, de uitkeringen langzamer zijn gestegen dan de inflatie, en veranderingen in de systematiek van de huursubsidie juist voor huishoudens met de laagste inkomens ongunstig hebben uitgepakt.

De gedachte achter de huidige huursubsidietabel is dat wie in een te duur huis woont daar extra woongenot voor krijgt, en dus ook wat extra voor moet betalen. Dat moge zo zijn, een alternatief - verhuizen naar een slechtere, maar goedkopere woning - is er niet, want de voorraad zeer goedkope woningen is uiterst beperkt en wordt niet uitgebreid. Mensen met een minimuminkomen worden feitelijk gedwongen boven hun stand te wonen.

Wanneer bijna een miljoen huishoudens in Nederland een aanvulling op het inkomen nodig heeft om de huur te kunnen betalen, is er sprake van een fundamenteel probleem, aldus het SCP. Huursubsidie is in toenemende mate een soort aanvullende bijstand geworden, dus zou het meer voor de hand liggen om de bijstandsuitkeringen te verhogen. De kans dat dat gebeurt acht het planbureau gering, omdat verhoging van de uitkeringen al snel tot problemen op de arbeidsmarkt leidt.