'Werkgevers maken misbruik van concurrentiebeding'

Het kabinet wil vereenvoudiging van regels om marktwerking te stimuleren. Kleine projecten vormen samen de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit.

DEN HAAG, 10 SEPT. “Als ik dit contract teken, kan ik helemaal nergens meer werken”, had hij tegen zijn aanstaande werkgever gezegd. En dat was precies de bedoeling, vertrouwde deze hem toe zonder een spoor van ironie.

Het kleine maar ambitieuze reclamebureau wilde hem, een van de meest gewilde reclametekstschrijvers van het land, maar al te graag hebben. Nog liever wilden ze hem heel erg lang houden en daarom wijdde het lijvige arbeidscontract vele pagina's aan het concurrentiebeding. Als een werknemer voor zo'n beding tekent, mag hij na zijn dienstbetrekking zijn oude werkgever geen concurrentie aandoen. Vaak gedurende twee jaar.

“Als je aan een nieuwe baan begint ben je enthousiast en ga je uit van vertrouwen in je nieuwe baas”, legt de copywriter uit. Het regelen van een concurrentiebeding is op dat moment iets als het onderhandelen over de scheiding vlak voor de trouwdag. Dus tekende hij maar, ondanks de bepaling dat hij, als hij voor zichzelf zou beginnen of bij een ander bureau zou gaan werken, twee jaar lang voor vrijwel niemand zou mogen werken. Want dat had de ijverige advocaat die het reclamebureau in de arm had genomen - na slechte ervaringen met opgestapte werknemers - stevig dichtgetimmerd. Het contract behelsde de verregaande bepaling dat elke klant waar het reclamebureau in de vijf jaar daarvoor ook maar telefonisch contact mee had gehad, verboden terrein was voor de tekstschrijver. En aangezien het bureautje in die periode zijn diensten had aangeboden aan nagenoeg elke adverteerder, zat de getalenteerde reclameman vastgeketend aan zijn nieuwe werkgever.

Zoiets is een ongewenste situatie, vindt minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De gedachte achter het concurrentiebeding is prima, maar als het 'de mobiliteit op de arbeidsmarkt belemmert', zoals Melkerts ambtenaren het formuleren, en 'concurrentie tussen bedrijven beperkt', wat hun collega's op het ministerie van Economische Zaken vrezen, dan wordt het tijd om te onderzoeken of de wet nog wel werkt.

Het onderzoek is inmiddels begonnen. Het is een van de 21 MDW-projecten (marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit), een speerpuntoperatie van het kabinet-Kok om de wetgeving te verbeteren en te versimpelen om zo barrières voor vrije concurrentie weg te nemen. De onderzoekers hopen midden volgend jaar een rapport te presenteren waarin ze aan de hand van onder andere jurisprudentie zullen aangeven hoe het concurrentiebeding moet veranderen.

Ze kunnen zich een hoop tijd besparen als ze de dissertatie van de Amsterdamse advocaat mr. F.B.J. Grapperhaus erbij pakken. Hij onderzocht 300 gerechtelijke uitspraken over het concurrentiebeding tussen 1909 en 1994. Conclusie: werkgevers maken misbruik van het beding. “Ze gebruiken het voor oneigenlijke marktbescherming”, meent Grapperhaus, “want ze verbieden met het beding meer dan wat hun afzetmogelijkheden zijn.” Probleem is alleen dat rechters zich daar nauwelijks van vergewissen. Zo was er een kantonrechter in Den Bosch die een oud-werknemer van het chemieconcern Dupont voor zich kreeg. De man wilde bij de concurrent gaan werken en zijn oude werkgever vreesde daardoor schade op te lopen. “Dat is zo technisch, daar ga ik me niet in verdiepen”, besliste de rechter en hield de werknemer aan zijn getekende concurrentiebeding. Dat dit geding voor de gehele wereld gold, aangezien Dupont een wereldwijd concern is, kon de man niet vermurwen.

Grapperhaus heeft nog een bezwaar tegen het beding zoals dat wordt gebruikt, namelijk de duur ervan. Vaak is de kennis van de oud-werknemer alweer verouderd of heeft een opvolger allang de plek ingenomen, als het beding nog voortduurt.

De reclametekstschrijver kan erover meepraten. Al na een jaar was het gedaan met het vertrouwen in het reclamebureau: hij nam ontslag. Zijn werkgever kon het niet geloven: “Je bent gek, je kunt geen kant op.” De belangrijkste klant van het bureau, een grote uitzendorganisatie, had de relatie enkele weken eerder opgezegd en vroeg de copywriter voor hun te gaan freelancen. Een aanbod dat hij aanvankelijk onmogelijk kon accepteren. Dat realiseerde de tekstschrijver zich vooral nadat hij bleek te zijn gevolgd tot de deur van het hoofdkantoor van het uitzendbureau door een medewerker van zijn oude werkgever. “Maar ja, ik ken geen ander vak dan het reclamevak en met drie jonge kinderen thuis heb ik het risico toch maar genomen”, zegt de copywriter, die vreest dat hij geruïneerd wordt als zijn naam bekend wordt. Het afgelopen jaar is hij vooral bezig geweest met het uitwissen van sporen die er op zouden kunnen duiden dat hij in strijd met zijn concurrentiebeding handelt. “Nog één jaar en dan hoef ik me niet meer als een geheim agent te gedragen.”

Wat Grapperhaus betreft hadden reclamebureau en werknemer beter een schadevergoeding overeen kunnen komen. Dat is althans gebruikelijk in Duitsland: zolang het beding geldt moet de werkgever de door de werknemer geleden schade vergoeden. Het grote voordeel hiervan is volgens Grapperhaus, dat concurrentiebedingen niet automatisch in arbeidscontracten worden opgenomen. Bovendien dwingt het de werkgever na te denken over de mate waarin zijn oud-werknemer hem schade kan berokkenen als hem concurrentie wordt aangedaan.

Het concurrentiebeding wordt onderzocht om erachter te komen of het marktwerking niet belemmert. Marktwerking is evenwel geen doel op zich, het moet uiteindelijk werkgelegenheid opleveren. Voor de achtervolgde tekstschrijver is de relatie tussen het beding en werkgelegenheid niet zo'n vreemde als deze op het eerste gezicht lijkt. Niemand mag weten waar hij mee bezig is, dus kan hij alleen maar in zijn eentje werken. Alleen kan hij het werk echter nauwelijks aan en moet hij steeds vaker 'nee' verkopen. “Als ik dat beding niet had gehad, had ik een bureau opgericht en mensen aan kunnen nemen.”