Verdediger Tadic eist intrekking beschuldigingen

DEN HAAG, 10 SEPT. Het proces tegen de Bosnische Servier Dusko Tadic voor het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië is vanmorgen hervat met de behandeling van een motie van de Nederlandse advocaat mr. M. Wladimiroff, dat voor een aantal beschuldigingen tegen Tadic zo weinig bewijs is geleverd dat deze moeten worden ingetrokken. Het gaat daarbij om 21 van de 34 punten in de aanklacht tegen Tadic.

Het proces tegen Tadic werd half augustus geschorst na het verhoor van de laatste getuige a charge. Vandaag gaat de verdediging van Tadic verder met het proces. De verdediging wil aantonen dat Tadic het slachtoffer is van een persoonsverwisseling. De verdediging zal na verwachting eind oktober haar laatste getuige hebben gehoord.

De verdediging schrijft in de motie dat “extreme voorzichtigheid” in acht moet worden genomen bij de beoordeling van getuigen die “een sterk motief hebben een verdachte verantwoordelijk te houden voor misdaden die begaan zijn tegen hun etnische groep”. Contradicties, inconsistenties met eerdere uitlatingen, het gedrag en de houding van getuigen in de rechtszaal en de mogelijkheid dat getuigen uit andere bronnen verhalen hebben gehoord over de verdachte zijn factoren die volgens de verdediging een rol spelen bij de beoordeling of voldoende overtuigend bewijs is geleverd.

Tegen Tadic is dat volgens de verdediging bij een fors aantal beschuldigingen niet gebeurd. Bijvoorbeeld bij de beschuldiging dat Tadic als lid van een groep Bosnisch-Servische soldaten tussen 1 juni en 31 juli 1991 in het gevangenkamp Omarska een groep gevangenen ernstig mishandelde en dwong tot verminking van elkaars geslachtsdelen. Volgens de verdediging spreken de getuigen in deze kwestie elkaar voortdurend tegen: over de volgorde waarin de gevangenen werden mishandeld, over de route die zij namen naar de martelkamer en over de persoon die hen daar opwachtte. Daarbij was het voor de getuigen volgens de verdediging moeilijk waar te nemen wie precies in deuropeningen verscheen, terwijl daar wel stellige uitspraken over worden gedaan. Eén getuige ziet Tadic met een pet en zonnebril een ruimte binnenkomen (hij is de enige die dat ziet), een andere getuige hoort slechts iemand de naam 'Dule' roepen (Dule is net als Dusko een verkleinwoord van zijn veel voorkomende voornaam Dusan). Weer een andere getuige herkende slechts de rug van Tadic.

Zeer uiteenlopend waren uitlatingen over zijn uiterlijk: vier getuigen zeiden dat Tadic gladgeschoren ging, drie getuigen zeiden dat hij een baard had van enkele weken, één getuige zei dat hij een volle baard droeg, twee getuigen hadden in eerste instantie een baard gezien, maar herriepen die uitspraak later. Over een van de gruwelijkste beschuldigingen - gevangenen werden gedwongen het geslachtsorgaan van een medegevangene af te bijten - zei de man die het slachtoffer vasthield dat Tadic zich niet bevond tussen de Bosnische-Servische soldaten die dit bevalen.

Volgens de verdediging lijkt afdoende bewijs geleverd over de mishandeling van Emir Beganovic en Senad Muslimovic. Ook de bewijsvoering in de moorden die op 14 juni 1991 in de dorpen Jaskici en Sivci en de mishandeling van Hase Icic worden niet bestreden.

Zeer belastend voor Tadic zijn verder de uitspraken van een bewaarder van het gevangenkamp Trnopolje. Deze bewaarder werd als laatste getuige voor de aanklager half augustus achter gesloten deuren verhoord. Uit een onlangs vrijgekomen transcript van de verhoren blijkt dat hij Tadic in Trnopolje twee moorden heeft zien plegen.