Sociale zekerheid; Kosten dreigen door vergrijzing opnieuw te stijgen

Met een kanonnade aan maatregelen zijn de sociale zekerheidsuitgaven de afgelopen vijf jaren onder controle gebracht. Een geweldige prestatie, gezien de explosie van 48 tot 114 miljard gulden per jaar in de twee voorafgaande decennia. Maar stabilisatie is volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geen reden voor zelfgenoegzaamheid. De vergrijzing van de bevolking zal leiden tot een hernieuwd oplopen van de uitgaven.

De vergrijzing komt in de eerste plaats tot uiting in een toenemend aantal AOW'ers. Ook de uitgaven voor aanvullend pensioen zullen stijgen. Maar daar blijft het niet bij. De kans op arbeidsongeschiktheid is bij ouderen groter dan bij jongeren. Dus zullen meer (oudere) werknemers de WAO instromen. Van de andere kant zullen er na 1998 minder mensen de WAO uitstromen. De huidige arbeidsongeschikten zijn dan herkeurd. Wie na deze herkeuringen nog in de WAO zit heeft nog maar weinig kans daar ooit nog uit te komen. Ook al omdat de revalideringskansen de afgelopen jaren danig zijn geslonken doordat werkgevers “aan de poort” een strengere selectie uitoefenen. Het planbureau vindt meer volumebeheersende maatregelen “aanbevelenswaard” om te voorkomen dat het aantal arbeidsongeschikten (nu 850.000) stijgt tot 1 miljoen.

Zonder de WAO-maatregelen van augustus 1993 zaten we nu al aan dat miljoen. De WAO, zo stelt het SCP, wordt door werkgevers minder vaak als “afvloeiingskanaal” gebruikt om oudere werknemers te lozen. Omdat ook de regelingen voor vervroegde uittreding (VUT) langzaam maar zeker worden afgebouwd, zijn de werkgevers op zoek gegaan naar een alternatief afvloeiingskanaal. Dat hebben ze inmiddels gevonden: de WW. Op dit moment neemt de werkloosheid wat af, maar zodra er weer een recessie komt zal de WW als afvloeiingskanaal voor met name oudere werknemers worden gebruikt, zo verwacht het SCP.

Ook het aantal bijstandsuitkeringen zal oplopen door de toestroom van nieuwe categorieën: arbeidsongeschikten die geen recht meer hebben op een WAO- of WW-uitkering, werklozen die niet aan de nieuwe eisen van de WW voldoen en nabestaanden die als gevolg van gewijzigde regelgeving geen recht meer hebben op een uitkering krachtens de Algemene Nabestaanden Wet. WAO, WW en Bijstand, zo blijkt, vormen een stelsel van communicerende vaten. Als ergens neerwaartse druk wordt uitgeoefend, stijgt prompt elders het peil.

Ook het beroep op kinderbijslag zal oplopen. Reden: tot het jaar 2005 neemt het aantal kinderen tot 16 jaar met ongeveer 200.000 toe. Daarna zullen de uitgaven weer naar het huidige niveau dalen. Dat kan op het conto worden geschreven van het kabinet Kok dat in 1995 een bezuiniging van in totaal 1,5 miljard gulden op kinderbijslag doorvoerde. Huishoudens met kinderen betalen daarvoor de rekening. Het SCP heeft berekend dat deze huishoudens er ten opzichte van de oude systematiek gemiddeld 910 gulden per jaar op achteruit zijn gegaan. Voor enkele huishoudens beloopt het nadeel 2.700 gulden.

Er is veel gebeurd, maar nog niet genoeg. De beleidsdiscussie gaat nu vooral over de betaalbaarheid van de oudedagsvoorziening. Het SCP heeft onderzocht in hoeverre een aantal bezuinigingsmaatregelen op maatschappelijke steun kunnen rekenen. Slechts twee maatregelen blijken voldoende draagvlak te hebben onder de bevolking. Bijna zeven van de tien ondervraagden vinden dat de hoogte van het pensioen moet afhangen van het loon dat tijdens het gehele leven is verworven, en niet van het laatstverdiende loon. Een opvatting die inmiddels door het kabinet Kok in beleid is vertaald.

Een tweede maatregel betreft fondsvorming. Het voorstel een 'AOW-spaarpot' te creëren door de premie die werkenden betalen nu al te verhogen, wordt door 54 procent van de ondervraagden onderschreven. Bij de werkenden, die hiervoor de rekening betalen, is de steun even groot. Slechts één op de zes ondervraagden stemt in met het plan om ouderen twee jaar later, met 67 jaar, te pensioneren. Het voorstel om ouderen met een redelijk aanvullend pensioen over 10 jaar premie te laten betalen wordt ook afgewezen, door 61 procent van de bevolking.

Ook voor andere mogelijke maatregelen is de maatschappelijke steun geturfd. Meer dan de helft (57 procent) van de ondervraagden is voorstander van experience rating. Dat is een maatregel om werkgevers te ontmoedigen de WW als afvloeiingskanaal te gebruiken. De WW-premie van de werkgever wordt in dit geval vastgesteld op basis van het aantal mensen dat is ontslagen. Een andere maatregel die op steun onder de bevolking kan rekenen is workfare. Hierbij worden uitkeringen geleidelijk omgezet in gegarandeerde arbeid op minimumniveau, door de vrijlating van arbeidsinkomsten jaarlijks te verhogen en mensen die dit bedrag niet op eigen kracht kunnen verdienen een arbeidsplaats aan te bieden. Bijna 60 procent is voor zo'n systeem.

Het door de VVD gepropageerde ministelsel en een gedeeltelijk basisinkomen krijgen aanmerkelijk minder steun van de bevolking: respectievelijk 36 en 23 procent. Met de opsomming van mogelijke maatregelen en het aftasten van de maatschappelijke steun neemt het Sociaal en Cultureel Planbureau een voorschot op een politieke discussie die pas goed zal losbranden aan de vooravond van de verkiezingen voor de Tweede Kamer in het voorjaar van 1998, als dit kabinet zijn termijn uitzit.