Sloop in naoorlogse wijken voorkomt uittocht middengroepen

Probleemgebieden zijn van alle tijden. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig golden met name het noorden van het land en de mijnstreek als zodanig. De grote steden, die toen zelfs nog groter waren dan nu, kregen nauwelijks aparte beleidsaandacht. Dat was ook niet nodig. Er was nog voldoende werk, er waren nog nauwelijks buitenlanders, nog geen junks.

Die situatie is ingrijpend veranderd. Van de grootstedelijke huishoudens is 22 procent afhankelijk van een werkloosheids- of bijstandsuitkering, voor het hele land is dat 10 procent. Het gemiddeld inkomen in de vier grote steden ligt twintig procent onder het landelijk gemiddelde. Jongeren, alleenstaanden, eenoudergezinnen, buitenlanders, lager opgeleiden en armen zijn zwaar oververtegenwoordigd in de steden. De criminaliteit ligt er hoger dan in de rest van het land. De grote steden zijn probleemgebieden, en worden dat in steeds sterkere mate.

Dat besef is er al een tijdje. In allerlei sectoren is er al jaren extra aandacht voor de grote steden. Onder vlaggen als stadsvernieuwing, probleemcumulatiegebiedenbeleid en sociale vernieuwing ging die aandacht op steeds meer sectoren betrekking hebben. Dit kabinet bekeek het nog breder, en bombardeerde het grote-stedenbeleid tot speerpunt. Voor het eerst worden de grote steden niet alleen als probleemgebieden benaderd, maar ook als economische trekkers. Want dat is de paradox van de grote steden: terwijl de sociale problemen zich opstapelen in en rondom de centra, floreren de spiegelende kantoorpaleizen aan de stadsranden. Het besef dat beide ontwikkelingen met elkaar zijn verbonden, is nu pas tot het beleid doorgedrongen.

Maar sociaal-wetenschappelijk onderzoek gaat vaker over problemen dan over successen. Dit Sociaal en Cultureel Rapport vormt daarop geen uitzondering. De problemen van de grote steden hebben al zo lang doorgeëtterd dat het wonen in de stad op dit moment een extra probleemvergrotende factor aan het worden is. Daarvan rapporteert het SCP diverse voorbeelden. Zo blijkt het risico op werkloosheid, ook wanneer men corrigeert voor achtergrondkenmerken als leeftijd, opleiding en etnische achtergrond, in Amsterdam en Rotterdam significant hoger te zijn dan in de rest van het land. Ook hoger opgeleiden in de steden zijn relatief vaak werkloos, ondanks het grote aantal banen voor hoger opgeleiden. Zij moeten het echter in de strijd om die banen veelal afleggen tegen forenzen. Waarom dat zo is, blijft vooralsnog onduidelijk.

Ook in het onderwijs doet zich zo'n onverklaarde grote-stadsfactor voor. Kinderen uit de grote stad presteren op de basisschool aanzienlijk slechter dan kinderen uit de rest van het land. Dit lijkt te verklaren uit de achtergrondgegevens van de leerlingen: meer uit eenoudergezinnen, meer allochtonen, meer uit lagere milieus. Toch blijken bij nadere beschouwing sommige kansarme groepen in de grote steden slechter te presteren dan dezelfde groepen elders in het land, terwijl kinderen uit kansrijke milieus het juist beter doen in de grote stad.

In het voortgezet onderwijs verlaten in de grote steden drie keer zo veel leerlingen zonder diploma de school dan in kleinere gemeenten. Volgens het SCP is er sprake van een 'grootstedelijke klimaatsfactor' - er is veel afleiding - die de prestaties in het voortgezet onderwijs negatief beïnvloedt. Ook is de sfeer in delen van het voortgezet onderwijs (VBO, Mavo en brugklassen) grimmiger dan elders in het land. Leerlingen zijn er vaker betrokken bij vechtpartijen en zijn vaker het slachtoffer van diefstal of pesterijen.

Ook op het gebied van gezondheid zijn bewoners van grote steden slechter af. In 1972 bestonden er nog nauwelijks verschillen in sterfte onder 5 tot 65-jarigen tussen grote steden en platteland. Intussen is die sterfte in de grote steden iets toegenomen, terwijl op het platteland een forse daling plaatshad.

De sleutel tot de veranderingen die zich sinds het begin van de jaren zeventig in de grote steden voltrokken is gelegen in de ruimtelijke ordening en het volkshuisvestingsbeleid, aldus het SCP.

Juist in de tijd dat grotere groepen in de steden zich door de gestegen welvaart een betere, grotere woning konden veroorloven, werden zulke woningen op grote schaal gebouw - buiten de steden, in de groeikernen. De stadsbevolking, en dan vooral gezinnen, trok en masse weg. In de steden ontstond een overschot aan goedkope huurwoningen. Voor één categorie kwam dat goed uit: buitenlanders, die pas sinds het eind van de jaren zestig in groten getale naar Nederland kwamen. Tegelijk deed zich nog een derde ontwikkeling voor: de industrie in de grote steden - scheepswerven, autofabrieken, metaalbedrijven - begon zijn poorten te sluiten, waardoor veel banen voor ongeschoolden verdwenen. Er ontstond weliswaar nieuwe werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening, maar die was vooral voor middelbaar en hoger opgeleiden bestemd. Een onevenredig hoge werkloosheid viel de grote steden ten deel.

Het was de combinatie van die drie grote structurele ontwikkelingen die de grote steden de das om deed. Het is een interessante gedachtenoefening om na te gaan wat er gebeurd zou zijn als een van die ontwikkelingen niet was opgetreden. Wat als er bijvoorbeeld geen sprake zou zijn geweest van massale immigratie in de jaren zeventig, vragen de auteurs van het rapport zich terloops af. Waarschijnlijk zou er dan in de oude wijken veel meer leegstand zijn ontstaan en zou er tóen al zijn besloten om op grotere schaal woningen te slopen en te vervangen door grotere, duurdere woningen - precies wat op dit moment gebeurt om meer perspectiefrijke bewoners in die wijken te krijgen.

Maar goed, dat is speculatie. Toch zijn zulke oefeningen buitengewoon relevant. Immers, we staan opnieuw voor een ronde van grootschalige nieuwbouw. Tot 2010 moeten er 900.000 woningen worden bijgebouwd, vooral in de vorm van grote wijken rondom de steden. Met de kennis van wat er de afgelopen drie decennia is gebeurd moet het mogelijk zijn de sociale consequenties van de nieuwe uitbreidingen beter te voorzien en te sturen. Het op deze manier toepasbaar maken van sociaal-wetenschappelijke kennis is de raison d'être van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Aan de bouw van de grote nieuwbouwwijken kleven niet onaanzienlijke sociale risico's, waarschuwt het planbureau. Er zullen veel relatief dure maar kwalitatief goede en ruime woningen worden gebouwd, op niet al te grote afstand van de stad. Die woningen zouden wel eens zeer in trek kunnen blijken bij de middengroepen die nu nog in de oudere naoorlogse wijken wonen; zo aantrekkelijk dat ze die wijken verlaten, met een verslechtering van de leefbaarheid daar tot gevolg.

De naoorlogse wijken van de grote steden zijn de potentiële probleembuurten van de komende decennia. Wil de leefbaarheid van die wijken op peil blijven, dan zullen ze moeten worden geherstructureerd, aldus een aanbeveling van het SCP: sloop nú al een deel van de goedkope woningen daar, ook al zijn die nog goed, en bouw er duurdere voor in de plaats. Creëer een aantrekkelijk vestigingsmilieu voor de well to do uit de buurt en van elders.

Voor bestuurders en beleidsmakers lijkt dat een nogal drastische ingreep, realiseren de sociale ingenieurs van het planbureau zich. Maar de kans is groot, waarschuwen ze, dat het over tien of twintig jaar te laat is. Dan zijn die middengroepen vertrokken. En dan kan niemand zeggen dat hij het niet heeft geweten.