Seksueel misbruik

In het artikel 'Misbruikt kind vooral laten praten' in NRC HANDELS van 24 augustus, interviewt R. Biersma de aan de Erasmusuniversiteit verbonden dr. F.C. Verhulst over seksueel misbruik van kinderen binnen het gezin. De daders worden door dr. Verhulst ondergebracht in een zestal groepen mannelijke verwanten in de eerste tot en met de vierde graad (van vaders tot neven).

Bij elke groep is een percentage vermeld waarmee wordt aangegeven wat het aandeel is in het totale aantal gevallen van seksuele kindermishandeling. Opgeteld komt men dan tot 92 procent. De laatste 8 procent is gereserveerd voor de groep 'andere huisgenoten'.

Wie dat zijn wordt niet vermeld maar uit de context moet men opmaken dat dit ook mannen zijn (achterneven, oudooms wellicht) zodat er tenslotte sprake is van alleen mannelijke daders. Dit nu is niet juist. Die 8 procent zijn moeders en stiefmoeders. Hun aandeel in het totaal is bovendien niet 8 procent maar 14 procent. Dat laatste kan men nalezen in de reeks jaarverslagen van de Landelijke Stichting Buro's Vertrouwensarts inzake kindermishandeling 1985-1994. Dat cijfer is door de jaren heen vrijwel constant.

In dezelfde jaarverslagen van de vertrouwensartsen kan men lezen dat het aandeel van vrouwen in het totale aantal gevallen van lichamelijke kindermishandeling (45 procent tegen mannen 55 procent) en van alle vormen van kindermishandeling bij elkaar (48 procent tegen mannen 52 procent) aanzienlijk is. Ook deze cijfers zijn door de jaren heen vrijwel constant.

Waarom deze toch niet onbelangrijke gegevens systematisch worden verzwegen, zowel in de publiciteit als door wetenschappers, is mij niet bekend. Men moet vrezen dat feministisch ideologische bevlogenheid of, zo men wil, politieke correctheid het zicht op de werkelijkheid danig heeft vertroebeld.

    • J. Westerhuis