'Regering bedreigt vrede Cambodja'

Niet de Rode Khmer, maar de coalitieregering vormt op dit moment de grootste bedreiging voor vrede en democratie in Cambodja. Dat zegt oppositieleider Sam Rainsy. “De Rode Khmer is een dankbaar excuus om de eigen wandaden te maskeren.”

PHNOM PENH, 10 SEPT. Hij is er niet zeker van de dag van morgen te halen. Sam Rainsy, de 43-jarige leider van de nieuwbakken oppositiepartij KNP in Cambodja vreest het zoveelste slachtoffer te zullen worden van het vele politieke geweld, dat, zo wordt algemeen aangenomen, het werk is van de regering. “De verrijzende triomf van de democratie”, zo omschreef een Amerikaanse gezant Cambodja vorig jaar nog. “Een mafia-staat met een terroristische regering die terroristische methodes gebruikt om haar opponenten te onderdrukken”, noemt Rainsy zijn eigen land daarentegen.

Aan straat 214, vlak achter het koninklijk paleis in Phnom Penh, staat het gebouw van de KNP, de Khmer Nationale Partij. Vrijwilligers zijn aan een lange tafel bezig honderden aanvragen voor lidmaatschap die vanmorgen zijn binnengekomen, te verwerken. Sinds de oprichting van de partij, tien maanden geleden hebben zich al 150.000 mensen ingeschreven. In de grote vergaderzaal waar partijleider Sam Rainsy zijn opwachting maakt, hangen portretten van koning Sihanouk en van zijn vrouw Monique, met daartussen in, op klein formaat, de foto van de oppositieleider zelf.

Vorig jaar was Rainsy nog minister van financiën in de coalitieregering gevormd door zijn eigen royalistische partij (FUNCINPEC), geleid door koningszoon prins Ranariddh, de 'eerste premier', en door de voormalige communisten (CPP - Cambodjaanse Volkspartij) van Hun Sen, de 'tweede premier'. Maar Rainsy had kritiek op het kabinetsbeleid, veel kritiek: op de welig tierende corruptie, op de grootschalige ontbossing, op schendingen van de mensenrechten. “Ik probeerde hervormingen door te voeren, maar dat stuitte op grote weerstand.”

Hij werd voor de keuze gesteld: zwijgen of vertrekken. Rainsy bond niet in en kreeg daarop niet alleen ontslag als minister, het kwam hem ook te staan op royement uit parlement en partij. Hij richtte eind 1995 zijn eigen partij op, die nog geen officiële erkenning heeft gekregen, maar wel mag opereren. 'Onbekenden' vallen de partij veelvuldig lastig, variërend van intimidatie, tot overvallen op partijkantoren. Daarbij zijn de afgelopen tijd drie partijleden, onder wie een lid van het hoofdbestuur, om het leven gekomen. Rainsy wijst de beschuldigende vinger in de richting van de regering, die op haar beurt 'criminelen' voor het geweld verantwoordelijk stelt. “Het gaat om honderden incidenten en er is nog nooit één dader gevonden, dat is toch opvallend”, zegt Rainsy.

Afgelopen zaterdag kwam Rainsy zelf in de problemen, ditmaal waren de tegenstanders wel duidelijk herkenbaar. Na bezoek aan een groep daklozen in Phnom Penh werd Rainsy staande gehouden door de politie die zijn auto voor enige tijd in beslag nam en in de lucht schoot om woedende aanhangers te verspreiden. Opgaaf van reden: geen. De Cambodjaanse regering verwijt Rainsy te ongeduldig te zijn. Khieu Kanharith, staatssecretaris van informatie (en een oudgediende uit de communistische partij) vergelijkt het Cambodja van nu met dat van de afgelopen 25 jaar en wijst op de grote progressie. De democratische verkiezingen, onder toezicht van de Verenigde Naties, maakten van Cambodja drie jaar geleden geen paradijs, maar het is wel een verademing ten opzichte van het recente verleden, zo redeneert Kanharith.

Rainsy in een reactie: “Vergeleken met het absolute kwaad van de Rode Khmer is de huidige situatie per definitie een belangrijke verbetering, zoals in Europa elk systeem beter is dan het fascisme. Maar we moeten niet kijken naar de zwartste bladzijde uit onze geschiedenis, de gouden tijd van vóór 1970 moet de leidraad zijn. Ik probeer me voor te stellen hoe Cambodja had kunnen zijn. Het verleden wordt hier vaak gebruikt als een alibi. De Rode Khmer is een welkom excuus voor de regering om de eigen wandaden te maskeren. Alles wat mis is, is de schuld van de Rode Khmer.”

Sam Rainsy studeerde begin jaren zeventig in Frankrijk en had zo het geluk het moorddadige regime van Pol Pot te ontlopen. “Veel van mijn familieleden zijn vermoord en ik had het vast ook niet overleefd”, zegt hij en wijst op zijn bril met dikke glazen (onder de Rode Khmer was het dragen van een bril een teken van burgerlijke decadentie en van beïnvloeding door het Westen en daarom een reden voor executie). “De Rode Khmer vormt gelukkig allang geen gevaar meer, de beweging is gereduceerd tot een paar duizend man. De situatie van 1975, toen de Rode Khmer de macht greep, kan nimmer terugkeren, want Cambodjanen weten nu wat ze voorstellen en laten dat niet meer toe.”

De Cambodjaanse oppositie staat niet alleen in haar kritiek op de regering. Ook organisaties voor de rechten van de mens, zoals Amnesty International, maken herhaaldelijk hun zorgen kenbaar over de verslechtering van de politieke situatie in Cambodja sinds 1993. De Amerikaanse regering heeft haar aanvankelijke optimisme inmiddels getemperd. In een rapport van het State Department werd dit voorjaar gewag gemaakt van wreedheden en standrechtelijke executies begaan door leger en politie, van corrupte rechtbanken en van beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Het punt waar het in Phnom Penh uiteindelijk om draait is welke partij en welke politicus werkelijk de macht heeft. Bij de verkiezingen van 1993 versloeg FUNCINPEC de CPP, maar geen van beide partijen behaalde meerderheid (58 om 51 van de 120 zetels). Prins Ranariddh eiste daarna het recht op een coalitieregering te leiden. Om de CPP (voorheen de Cambodjaanse Revolutionaire Volkspartij), die tussen 1979 en 1993 de alleenheerschappij had te apaiseren mocht Hun Sen zich 'tweede premier' noemen.

Allengs werd duidelijk dat nummer 'twee' in feite nummer 'één' was. Terwijl de CPP diepe wortels heeft in de Cambodjaanse samenleving, wordt FUNCINPEC geleid door een elite van politici die vijftien jaar of langer in het buitenland verkeerde. In corruptie doen de twee partijen volgens waarnemers in Phnom Penh niet voor elkaar onder, maar de organisatie van de CPP is verreweg de beste.

De VN staken Hun Sen in de aanloop naar de verkiezingen van 1993 de helpende hand toe, door vanuit het oogpunt van stabiliteit de controle van zijn toenmalige CPP-regering over de ambtenarij, de politie en het leger intact te laten. De ex-communisten plukken daar nu de vruchten van. Hoewel het overheidsapparaat is gereorganiseerd en de oude regeringskrijgsmacht is gefuseerd met de voormalige guerrillalegers, zitten CPP-ers op alle sleutelposten. Vooral op het platteland is de macht van de CPP vrijwel absoluut.“Iedereen weet dat Hun Sen de werkelijke macht heeft en niet Ranariddh”, zegt Sam Rainsy. De Belgische Cambodja-kenner Raoul Jennar noemde in de New York Times FUNCINPEC “een stelletje toeristen in vergelijking met de CPP”.

De spanningen in de coalitieregering zijn groot. Ranariddh dreigde in maart met opstappen als de CPP niet bereid zou zijn meer bestuurlijke taken te delegeren. Hun Sen wees dit onder verwijzing naar het vredesakkoord van de VN, uit 1991, hautain van de hand. Prins Ranariddh beseft dat hij in de tang zit: in de regering speelt hij tweede viool, maar het opzeggen van de coalitie zou de CPP nog meer in de kaart spelen. Zijn partij hoopt dat de verkiezingen van 1998 uitkomst zullen bieden.

Sam Rainsy spreekt ondanks zijn grote afkeer van Hun Sen c.s. met bewondering over zijn tegenstanders. “Vergeleken met hen zijn wij maar amateurs. De CPP is zeer goed georganiseerd. Het zijn en blijven communisten.”