Onderwijsraad is niet halsstarrig over nieuwe scholen, maar kritisch

In het hoofdredactioneel commentaar van van 24 augustus 1996 wordt onder de kop 'Onderwijsmythen' een advies van de Onderwijsraad over de 'samenwerkingsschool' voor openbaar èn bijzonder onderwijs tegen het licht gehouden. Het beeld dat daarin wordt opgeroepen behoeft correctie en nuancering.

De Onderwijsraad adviseerde in februari 1994 over een wetsvoorstel waarin onder andere een regeling voor de genoemde variant van de samenwerkingsschool was opgenomen. Die regeling achtte hij constitutioneel niet aanvaardbaar. Het is een misverstand daaruit te concluderen dat de Raad tégen de samenwerkingsschool op zichzelf zou zijn. Het probleem voor de Raad ligt bij de ongrondwettigheid van de ontworpen regeling, die zowel levensbeschouwelijk neutraal overheidsonderwijs als al dan niet levensbeschouwelijk bepaald particulier onderwijs betreft. De oplossing daarvoor kan slechts worden gevonden in een wijziging van de Grondwet. De in de Grondwet vastgelegde grondslagen van onze samenleving een beetje bijbuigen als dat zo uitkomt, is niet passend. Dat doen wij niet met de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van vereniging en vergadering, dus ook niet met de vrijheid van onderwijs.

Ook de Raad van State kwam tot de conclusie dat de regeling voor de samenwerkingsschool zoals die oorspronkelijk luidde niet te rijmen viel met de Grondwet. Een citaat uit diens advies van 19 oktober 1994: “Het hiervoor onder a en b gestelde voert de Raad tot de opvatting dat de samenwerkingsschool die zich ten doel stelt zowel openbaar als bijzonder onderwijs aan te bieden zich niet verdraagt met het duale bestel van artikel 23 van de Grondwet.” Op die grond verwierp de Raad van State het wetsvoorstel.

Het kabinet heeft desondanks gemeend het wetsvoorstel toch overeenkomstig de afspraken in het regeerakkoord bij de Tweede Kamer te moeten indienen. Ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel waren daarbij enkele wijzigingen aangebracht. In de loop van de behandeling rees ook bij de Tweede Kamer twijfel omtrent de grondwettigheid van het wetsvoorstel. Het gewijzigde voorstel werd aan de Onderwijsraad voorgelegd, met het verzoek na te gaan of dat nu naar zijn mening wèl aan de Grondwet voldeed. Desgevraagd heeft de Onderwijsraad die vraag op 27 juni 1996 gemotiveerd negatief beantwoord, hoewel hij de aanpassingen van het voorstel aanmerkte als verbeteringen. Een opmerking als: “Dit soort halsstarrigheid maakt de tirade tegen artikel 23 van vice-premier Dijkstal in december jongstleden een stuk begrijpelijker, zij het niet direct een bijdrage tot een oplossing”, doet aan deze gang van zaken absoluut geen recht.

De kern van de bezwaren blijft dat het onverenigbare niet valt te verenigen. In het commentaar wordt deze stelling afgedaan met de opmerking: “Openbaar en bijzonder onderwijs onder één bestuurlijk dak kan natuurlijk best.” Vervolgens wordt een aantal constructies genoemd waarbinnen dat zou kunnen.

Ik merk op dat het uitgangspunt van de regering bij de formulering van het wetsvoorstel is geweest onverkort vast te houden aan de uitgangspunten van het duale onderwijsbestel. Dat betekent het handhaven van het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Openbaar onderwijs is levensbeschouwelijk neutraal onderwijs dat voor een ieder open staat en van overheidswege wordt gegeven. Bijzonder onderwijs gaat juist níet uit van de overheid, maar van particuliere verbanden en heeft de vrijheid om het onderwijs en de toelating tot dat onderwijs op een bepaalde visie te baseren.

Het onverkort vasthouden aan de uitgangspunten van dit bestel leidt ertoe dat een samenwerkingsschool op momenten dat het ertoe doet, zoals bij de benoeming van personeel en de inhoud van het onderwijs en juridische geschillen daaromtrent, toch òf als een openbare òf als een bijzondere school wordt beschouwd. Wanneer de in het wetsvoorstel beschreven en in uw commentaar ook opgenomen constructie van verschillende stromingen niet mogelijk is, omdat de leerlingenaantallen daarvoor ontoereikend zijn, schrijft de wet zelfs voor dat de regels voor het openbaar onderwijs prevaleren. Wat voor samenwerking is dit nog? In feite komt dit erop neer dat de overheid pretendeert levensbeschouwelijk onderwijs te verzorgen. De Onderwijsraad meent dat een neutrale overheid zich van deze pretenie moet onthouden.

Het wetsvoorstel zou uitsluitend een uitkomst bieden als overlevingsstrategie voor openbare en bijzondere scholen die zelfstandig niet voldoen aan de criteria van de overheid om in stand te worden gehouden. De wetgever zou dus een constructie in het leven roepen om de door hemzelf vastgestelde normen te ontduiken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

In dit verband wordt in het commentaar nog opgemerkt dat de Onderwijsraad wel bezwaar zou hebben tegen bijzonder onderwijs dat opgaat in een openbare school, maar niet tegen openbaar onderwijs dat opgaat in een bijzondere school. Daarbij worden termen gebruikt als: “constitutionele orthodoxie” en “gelegenheidsargument”. Ik wijs erop dat de Onderwijsraad zowel de pretentie van de overheid om bijzonder onderwijs te (doen) geven als het genoegen nemen met een niet volwaardige vorm van openbaar onderwijs in strijd acht met de fundamentele beginselen die aan het duale onderwijsbestel ten grondslag liggen.