Hoogte uitkeringen 'willekeurig'

ROTTERDAM, 10 SEPT. De algemene nieuwe bijstandwet leidt tot grote verschillen tussen gemeenten in de hoogte van uitkeringen. De verschillen treden vooral op in uitkeringen aan jongeren, kostgangers, kamerbewoners, krakers en samenwonende familieleden. Dit blijkt uit een onderzoek van de landelijke vereniging van instituten voor sociaal raadsliedenwerk in twaalf gemeenten.

De bijstandswet, die 1 januari werd ingevoerd, beoogt lokale en regionale omstandigheden mee te laten spelen in de hoogte van een uitkering. Dit is nauwelijks gebeurd, schrijven de sociale raadslieden. In de nieuwe opzet krijgen samenwonenden 100 procent, hoofden van eenoudergezinnen 70 procent en alleenstaanden 50 procent. Afhankelijk van lokale, regionale en individuele omstandigheden bepalen gemeenten zelf of ze de uitkering van de twee laatste categorieën verhogen. De uitkeringsgerechtigde moet zo 'op maat gesneden' bijstand ontvangen.

De normen waarop de sociale diensten zich moeten baseren, zijn in de meeste gemeenten echter onduidelijk, menen de sociale raadslieden. Dat leidt tot willekeur. De raadslieden illustreren dit aan de hand van het uitkeringsregime in twee van de vier grote steden, Amsterdam en Den Haag. Een tienermoeder (onder de 21 jaar) krijgt in Amsterdam 1.171 gulden per maand, terwijl zij in Den Haag 1.747 gulden ontvangt. Het verschil van 576 gulden is volgens de sociale raadslieden niet te verklaren uit lokale en regionale verschillen.

Een bijstandsgerechtigde die op kamers woont of een woning deelt, kan op in verschillende gemeenten op verschillende kortingen rekenen. In Den Haag, zo schrijven de sociale raadslieden, is sprake van korting wegens 'medebewoning' als keuken, douche of toilet wordt gedeeld. Andere gemeenten houden alleen rekening met bijvoorbeeld de huurprijs.

Slechts in incidentele gevallen zouden gemeenten wel rekening houden met lokale omstandigheden. Zo keert de gemeente Nijmegen extra geld uit als de woonkosten meer dan 250 gulden bedragen, terwijl die kosten in Amsterdam hoger dan 325 gulden moeten zijn. De hoofdstad kent nu eenmaal een krappere woningmarkt, zodat de huren per definitie hoger zijn dan in het oosten van het land.

Uit het onderzoek blijkt dat het voor jongeren (tot 23 jaar) het voordeligst is in Den Haag te wonen. Met of zonder kind, alleen of in een huis met anderen - Den Haag keert de hoogste bijstand uit. Een ouder stel dat inwoont bij (schoon)ouders, woont daarentegen het gunstigst in Groningen. Woont het niet in Groningen maar in Amsterdam, Rotterdam of Purmerend, dan scheelt dat 388 gulden per maand. Krakers met bijstand zijn ook het best af in Groningen. Daar krijgen ze 1.203 gulden per maand, terwijl ze in zeven van de twaalf onderzochte gemeenten 'slechts' 971 gulden ontvangen.

Jongeren tussen de 18 en 21 jaar krijgen de laagste bijstand: 335 gulden, met uitzondering van Den Haag. Gemeenten geven vaak relatief weinig bijstand aan jongeren, omdat ze menen dat deze groep helemaal niet in de bijstand thuishoort. Een jongere moet op school zitten, arbeid verrichten of werkervaring opdoen in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG). Heeft hij desondanks een uitkering, dan kan hij bijzondere bijstand krijgen, die overigens wordt verhaald op zijn ouders.

Maar, schrijven de sociale raadslieden, in welke gevallen en voor welke kosten die bijzondere bijstand wordt verleend, kunnen we in diverse gemeenten nauwelijks achterhalen. “Dan zal het voor de jongeren in kwestie al helemaal ondoenlijk zijn.”

De Landelijke Veranderingsorganisatie (LVO), in 1995 door het ministerie van Sociale Zaken ingesteld om de invoering van de nieuwe bijstandswet gedurende drie jaar te begeleiden, laat weten dat de verschillen tussen gemeenten hen niet verbazen. “De wet gaat niet voor niets uit van een grotere beleidsvrijheid voor gemeenten”, aldus proces-manager S. Korevaar.

Wel sneed de LVO onlangs een ander probleem aan: de invoering van de nieuwe bijstandswet pakt duurder uit dan voorzien. Uit een onderzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) blijkt dat de invoering in totaal tweehonderd miljoen gulden kost. Dat is vier keer zoveel als de 50 miljoen die minister Melkert (Sociale Zaken) ervoor heeft uitgetrokken.