Felle concurrentie in EU om grote industrieprojecten

Tussen Europese landen bestaat hevige concurrentie bij het aantrekken van grote industriële projekten. Aziatische of Amerikaanse mega-investeringen worden vaak 'gekocht' met cash grants. Zo zou de Koreaanse elektronica-gigant LG in Wales een subsidie van circa 30.000 pond Sterling per arbeidsplaats hebben gekregen. Nederland heeft minder cash beschikbaar, maar geeft aantrekkelijke fiscale voordelen.

Buitenlandse investeringen in Europa zitten weer in de lift na enkele jaren van desinvesteringen. Een recente klapper was zonder twijfel de keuze van het Koreaanse conglomeraat LG voor Wales. Ook andere gebieden slagen erin multinationals aan te trekken. Zo krijgt Het Portugese Porto een nieuwe chipsfabriek van Siemens, het Amerikaanse FMC vestigde zich in Delfzijl, Samsung koos voor Noord-Engeland en Chrysler vestigde een Europees hoofdkantoor in Brussel. Europa pikt onmiskenbaar een graantje mee van het teruggevonden zelfvertrouwen van de multinationals.

Het aantrekken van deze internationale bedrijven is voor overheden van groot belang. De 'nieuwkomers' worden gezien als drijvende krachten om werklegenheid te scheppen. Met een geschatte spin-off van drie tot zes indirecte banen voor elke werkplek die een buitenlandse investeerder creëert, is het begrijpelijk dat overheden in binnen- en buitenland zich veel moeite getroosten om dergelijke projecten binnen te halen. De buitenlandse investeringsprojecten die in 1994 voor Nederland zijn aangekondigd, zullen naar verwachting ruim 3.500 directe arbeidsplaatsen scheppen. Voor 1995 betreft het een kleine 3.800 banen.

Er is een felle concurrentie tussen de Europese landen en regio's bij het aantrekken van deze investeringen. Binnen de EU zijn het met name Frankrijk en Groot-Brittannië die elkaar het leiderschap betwisten. De Fransen zijn er de laatste jaren in geslaagd het Verenigd Koninkrijk - traditioneel de 'prefered location' - voorbij te streven. Nederland, waar het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland (CBIN) in samenwerking met lokale acquisitie-organisaties buitenlandse bedrijven aantrekt, neemt rond 20 procent van het totale aantal buitenlandse investeringsprojecten in noordwest-Europa voor zijn rekening.

De concurrentieslag spitst zich toe op 'internationaal mobiele' investeringsprojecten - bedrijven die een grote mate van vrijheid hebben om een geschikte plaats voor hun activiteiten te vinden. Bij het aantrekken van deze investeringen zijn de natuurlijke voordelen van een land vaak niet uniek genoeg om de concurrentieslag te winnen. Zo moest Nederland, niettegenstaande zijn unieke infrastructuur en reputatie op het gebied van internationale distributie, met lede ogen toezien hoe bedrijven als Nike (sportschoenen) en Bose (radio's) uiteindelijk besloten om hun Europese distributiecentra in Vlaanderen te vestigen, waar ze honderden nieuwe arbeidsplaatsen creëerden. Daar staat dan weer tegenover dat een bedrijf als FMC Delfzijl verkoos boven een terrein met een grotere chemische cluster en infrastructuur in Wallonië.

Het kostenplaatje is veelal de doorslaggevende factor op het moment dat een bedrijf de uiteindelijke vestigingskeuze maakt. De meeste Europese regio's en landen hebben dan ook een breed scala van subsidiemiddelen uitgewerkt om enerzijds nieuwe bedrijven en banen aan te trekken en anderzijds de kans te verkleinen dat een bedrijf besluit om bestaande activiteiten te verhuizen naar het buitenland. Door deze ontwikkeling biedt Europa qua subsidiemogelijkheden een zeer gevarieerd beeld, niettegenstaande het feit dat de Europese Commissie bindende richtlijnen heeft uitgevaardigd met betrekking tot de steun die aan bedrijven gegeven mag worden. Zo stelt Brussel per regio een maximum 'net grant equivalent' vast. Dit maximum houdt rekening met de economische achterstand van de desbetreffende regio en wordt regelmatig bijgesteld. Bedrijven waarvan het totale subsidiepakket (lopende van bijvoorbeeld directe subsidie tot korting op huur of elektriciteit) boven dit maximum komt, moeten het te veel betaalde terugstorten en kunnen bovendien beboet worden. Er wordt ook gelet op de mogelijke concurrentievervalsing die door het toekennen van subsidies kan ontstaan.

Dat het overtreden van de Europese regelgeving contraproduktief is, blijkt uit het recente debacle in Saksen. Deze 'nieuwe' Duitse regio lokte Volkswagen met de toezegging van een subsidiepakket van 780 miljoen mark (ƒ 877 miljoen) voor investeringen in fabrieken in Chemnitz en Mosel. Naar het oordeel van Europees Commissaris Van Miert (concurrentiebeleid) is dit ruim 240 miljoen mark te veel. Brussel eiste dat de automobielfabrikant dit saldo prompt terugbetaalt. Volkswagen heeft bij monde van zijn topman Ferdinand Piech laten weten dat de geplande investeringen beter in Hongarije, Tsjechië of Slowakije kunnen doorgaan als het toegezegde bedrag niet gegeven wordt. Inmiddels is een compromis in de maak, mede omdat Saksen dreigde de Europese Commissie bij het Europees Gerechtshof aan te klagen.

Het Franse departement Nord-Pas de Calais is een typisch voorbeeld hoe regio's nieuw acquisitie-instrumentarium ontwikkelen. In 1993 kreeg de regio, ondanks aanvankelijke tegenwerking vanuit Parijs, het groene licht van de Europese Commissie om Franse en buitenlandse investeerders een speciaal fiscaal voordeel te bieden als alternatief voor de standaard-subsidie waarmee het Franse acquisitie-orgaan DATAR bedrijven aantrekt. Een totaal van 600 hectare aan bedrijventerrein werd aangeduid als ZIP-gebied, afgeleid van het Franse 'Zone d'Investissements Prioritaire'. Bedrijven die zich op ZIP's vestigen krijgen een 'tax credit' ter waarde van 22 procent van de investering in gebouwen en machines. Het niet gebruikte gedeelte van dit krediet kan van jaar tot jaar overgedragen worden. Bij dit 'slepen' mag bovendien een zeer gunstige inflatiecorrectie toegepast worden, waardoor bedrijven binnen vijf jaar hun voordeel kunnen laten oplopen tot 32 procent.

Ondanks deze uitbreiding van het subsidie-areaal blijven de directe subsidies - cash grants - het meest in het oog springen. Voorbeelden hiervan zijn de Nederlandse Investeringspremie Regeling (IPR), de Britse Regional Selective Assistance en de Ierse cash grant, waarmee overheden de investeringen in gebouwen, machines, en meestal ook bedrijfsterrein en de opstartkosten in de eerste bedrijfsjaren kunnen drukken. Het Waalse Henegouwen biedt investeerders in dit kader een subsidie aan die kan oplopen tot 33 procent van de investeringskosten. Hoewel dit percentage bescheiden is in vergelijking met de mogelijkheden in bijvoorbeeld Portugal en Zuid-Italië (zie kader), is het wellicht het hoogste bedrag dat in een redelijk centraal gelegen gebied binnen Europa gegeven mag worden.

Elk land en elke regio hanteert specifieke criteria waaraan een bedrijf moet voldoen om voor cash grants in aanmerking te komen. Een gemeenschappelijke noemer is echter het creëren van banen. In sommige landen wordt de schenking gekoppeld aan het aantal nieuwe arbeidsplaatsen. Zo geldt voor enkele Franse regio's een richtlijn van FF 70.000 (ƒ 23.100.-) per arbeidsplaats. Dit bedrag steekt schril af tegen de 30.000 pond Sterling (ƒ 78.000.-) die het Koreaanse LG van de Britten voor zijn vestiging in Newport in Zuid-Wales gekregen zou hebben. Hoe hoog dit ook mogen lijken, Wales blijft met deze subsidie ter waarde van 11 procent van de totale LG-investering ruim onder het maximum dat de EU voor de regio vaststelde. In Vlaanderen kan de overheid tot 21 procent aan directe subsidies toezeggen. Een belangrijk deel daarvan (tot 9 procent van de totale investering) is de zogenaamde 'meertewerkstellingssteun' die gegeven wordt naarmate een project binnen twee jaar duurzame arbeidsplaatsen schept. In Belgisch-Limburg kan deze steun bovendien op lokaal niveau aangevuld worden zodat een subsidie van meer dan ƒ 100.000.- per arbeidsplaats tot de reële mogelijkheden behoort.

Ook Nederland laat zich niet onbetuigd. In de periode 1986-1993 is aan 547 investeringsprojecten een IPR-cash grant toegezegd voor een totaalbedrag van ƒ 644 miljoen waarmee ongeveer 13.000 directe banen gecreëerd werden. Dat komt neer op gemiddeld rond ƒ 50.000.- per arbeidsplaats.

Toch is de slagkracht van de IPR tegenover het buitenlandse geweld in principe beperkt. De wettelijke regeling biedt maximaal 20 procent subsidie op een bedrag van ten hoogste ƒ 18 miljoen voor investeringen in gebouwen en machines. Voor deze cash grants was voor 1996 een totaalbedrag van ruim ƒ 51 miljoen gereserveerd. Het ministerie van Economische Zaken kan bij wijze van uitzondering voor speciale gevallen - als het project door buitenlandse concurrentie aan Nederland voorbij zou gaan - een hoger subsidiebedrag toezeggen. Deze mogelijkheid bestaat echter ook in het buitenland, waar vaak nog pragmatischer met de cash subsidies wordt omgegaan. Zo heeft een aantal buurlanden de zinnen gezet op het aantrekken van een 'wafer-fab'. Verscheidene Amerikaanse en Japanse concerns overwegen een dergelijke fabriek voor de produktie van halfgeleiders ten behoeve van de computerindustrie in Europa te vestigen. En de betrokken landen zijn bereid daarvoor diep in de subsidiebuidel te tasten. Ofwel, zoals dat heet, het project 'te kopen' .

Het werkterrein van de Nederlandse Investeringspremieregeling (IPR) wordt sinds eind jaren tachtig beperkt. Begin jaren negentig was de IPR (en haar voorloper de Subsidieregeling Regionale Investeringsprojecten) nog van toepassing op een groot aantal gebieden: Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, de regio Arnhem/Nijmegen en Limburg. Anno 1996 geldt de regeling alleen nog voor investeringen in de twee noordelijke provincies, Zuidoost-Drenthe, Twente en Zuid-Limburg. Vanaf 1 januari 1997 worden de mogelijkheden van de IPR verder beperkt en zal de regeling alleen nog maar gelden voor Groningen en Friesland.

In heel Noordwest-Europa zijn overheden terughoudender met het verstrekken van directe subsidies. Men gaat echter wel over op het ontwikkelen van ingenieuzere financiële instrumenten om bedrijven aan te trekken. Enkele landen zijn bijv. overgegaan op het aanbieden van gebouwen tegen marginale huurprijzen. Ierland, met zijn zgn. 'advanced facilities' is hiervan een typisch voorbeeld. Op het Europese vasteland bestaat voor nieuwkomers in sommige regio's de mogelijkheid om een gebouw gedurende tien jaar voor 2,7 procent van de nieuwwaarde te leasen, waarna de overheid het tegen een 'vriendenprijsje' aan de buitenlandse investeerder overdoet. In enkele recente gevallen hebben dergelijke schema's in combinatie met voordelige 'tax-rulings' het traditioneel 'dure' Zwitserland in staat gesteld met succes projecten van het 'goedkope' Ierland af te snoepen.

Ook Nederland laat zich niet onbetuigd op dit vlak. Zo worden de beperkingen van de IPR opgevangen door kandidaat-investeerders te wijzen op mogelijke fiscale voordelen van een vestiging in Nederland. Als gevolg van het relatief gunstige fiscale klimaat en de vele verdragen die zijn afgesloten met buitenlandse belastingdiensten wordt de uiteindelijke winstbelasting van een in Nederland gevestigd bedrijf zeer concurrerend in vergelijking met buitenlandse locaties. Daarnaast is op initiatief van staatssecretaris Vermeend een regeling ontwikkeld waardoor ondernemers die investeren in de bepaalde regio's, de mogelijkheid krijgen om op investeringen in nieuwe bedrijfsgebouwen van ten minste ƒ 5 miljoen tot 50 procent fiscaal versneld af te schrijven.

Naast het verminderen van de directe subsidies is er binnen de EU ook een duidelijke tendens naar het meer gericht inzetten van de zgn. cash grants. Dit kan ertoe leiden dat in sommige regio's projecten die in principe wel voor subsidie in aanmerking komen, nul op het rekest krijgen van de desbetreffende overheid.

Zo reserveert het Groothertogdom Luxemburg, dat over ruime subsidiefondsen beschikt, zijn directe subsidies voor prestigieuze projecten die de economische basis van het hertogdom duidelijk verbreden. Het voordeel van industrieterreinen tegen een niet meer dan symbolische lease wordt wel aan een breder publiek dan alleen buitenlandse investeerders aangeboden. Het Britse Department of Trade and Industry hanteert ten aanzien van de cash grants een soortgelijke politiek. De hoogte van de Regional Selective Assistance wordt bepaald op basis van intensieve discussies tussen de overheid en het bedrijf in kwestie, zonder dat tevoren een uitspraak over het mogelijke bedrag wordt gedaan.

De Britten lijken het voortouw te nemen van een trend waarbij het creëren van werkgelegenheid niet langer de beslissende factor is om subsidies toe te kennen. In plaats daarvan zijn andere overwegingen van toenemend belang - zoals de inbreng van nieuwe technologie, mogelijke orders voor toeleverende bedrijven (zoals de bestaande glasproducent in de nabijheid van de toekomstige LG Electronics-fabriek in Newport in Wales), industriële diversificatie en kennisoverdracht naar toeleveranciers en werknemers.

In Zuidoost-Azië, en met name in de stadstaat Singapore, is deze aanpak reeds wijd verbreid. Zo eist de Economic Development Board in Singapore al jaren dat geïnteresseerde investeerders nieuwe technologie naar het schiereiland moeten brengen, willen ze in aanmerking komen voor een locatie en het daarmee gepaard gaande fiscaal regime (de bedrijfswinsten worden gedurende de eerste vijf tot tien jaar niet belast).

Ondanks de grote invloed van subsidies bij het bepalen van de uiteindelijke locatie, zijn ze zelden de drijvende kracht in het vestigingsproces. Bedrijven overwegen een groot aantal andere locatiecriteria alvorens met overheden over de financiële aspecten te onderhandelen. Zo worden landen, regio's en terreinen vergeleken op kenmerken als toegankelijkheid, infrastructuur, arbeidstijden, sociaal klimaat, en lokale toeleveringsmogelijkheden. De ondernemingen zijn op zoek naar een omgeving die hen ook op de langere termijn in staat zal stellen internationaal concurrerend te blijven. Enkele uitzondering daargelaten, zullen bedrijven de subsidies dan ook eerder als boter bij de vis dan als hoofdmoot beschouwen.

Dit heeft belangrijke gevolgen voor de perifere regio's in Europa waar premies van oudsher hét instrument zijn om internationale bedrijvigheid aan te trekken. De gebieden waar infrastructuur en scholingsniveau achterbleven, zullen minder kans maken als vestigingsplaats naarmate de investeringen kapitaalintensiever worden (een goed ontwikkelde bedrijfsomgeving is dan vereist) en steeds meer Centraal-Europese landen goedgeschoolde en vooral goedkope arbeidskrachten aanbieden.

De Ierse overheid heeft geanticipeerd op deze tendens. Van een typische locatie met goedkope en laaggeschoolde arbeidskrachten heeft Ierland zich via investeringen in infrastructuur en scholing opgewerkt tot een voorkeursbestemming voor internationale bedrijven op het gebied van elektronica, farmaceutica, en toegepast onderzoek. Tegelijkertijd heeft het de inzet van zijn subsidie-instrumentarium - dat vooral bestaat uit cash grants en een lage vennootschapsbelasting - teruggeschroefd voor de gebieden rond Dublin waar officieel tot 40 procent geboden mag worden.

Door de kwalitatieve toename van het Ierse locatie-aanbod kruist het Haagse CBIN regelmatig de degens met de Ierse Industrial Development Agency. Het moet soms toezien hoe in de laatste beslissingsronde ook voor Nederland belangrijke projecten naar de perifere lokatie gaan, zelfs als Economische Zaken een IPR-subsidie boven het officiële maximum aanbiedt.

De recente aankondiging dat het bedrijf Franklin Products na een verblijf van tien jaar in de Ierse republiek besloten heeft terug te keren naar het Brabantse Zevenbergsche Hoek - waar het destijds, gelokt door Ierse subsidies, vertrok - moet Den Haag zoet smaken. Dit geeft duidelijk aan dat er voor Nederland, niettegenstaande een beperkt arsenaal aan directe subsidies, goede mogelijkheden bestaan bedrijven een aantrekkelijke vestigingsplaats te bieden.