Een illegale vriendschap met een onhandige schurftkop

Zo tussen half een en half twee 's nachts lijkt de tijd te stagneren. Het kerkelijk uurwerk van Oosterwijk repeteert een, een en nog eens een. Achter het Glasmuseum scheppen drie halfwas bosuilen levend aas uit de tuin. De predator krast, de prooi krijst. Hier wordt gewerkt, hier wordt geleerd te leven. De werkelijkheid van de nachtelijke natuur dringt binnen door het vredig venster.

Het tafereel is in Nederland steeds vaker waar te nemen door degene die enige nachtrust opoffert. Een beetje park, een beetje lommerrijke tuin en de bosuil komt wel. Hij volgt een uitgekiende vermeerderingsstrategie, bestaande uit fluistervluchten in de nacht. En geen mens ligt wakker van de series jonge zangvogels die in het duister hun einde vinden als uilenvoer.

Nee, dan de strategie van de ekster. Eet beduidend minder zangvogels dan de bosuil, maar scoort laag in de populariteits-polls. Je op klaarlichte dag in opzichtig zwart-wit met veel lawaai vertonen wekt geen sympathie bij de meeste mensen. En dus zijn er te veel eksters en dus word je aan de oever van de Linge om half zes gewekt, ditmaal door geweerschoten. Een jager heeft zich al vroeg in keurig groen gehesen en aan de regulerende arbeid gezet. De jonge eksters bungelen met de kopjes naar beneden als de legale schutter de uiterwaard verlaat. Hier is recht gesproken.

Het verhaal over onze thuis opgevoede en intussen gevlogen roek kan in zo'n situatie beter niet worden verteld. Want wie zich te buiten gaat aan het opkweken van een uit de nestboom gevallen roek, een vogel waarvan er volgens de communis opinio in de regio te veel zijn, beweegt zich op de rand van de illegaliteit. Scheldnamen als schurftkraai en schurftkop duiden op een even slecht als onterecht imago.

Een jaar lang heeft Roek, in huiselijke kring Koert genaamd, ons leven gedeeld. Van fragiel, armetierig jong tot een diep zwartgroen glanzende vogel met stevige snavel. Roek vergezelde ons in een duivemandje tijdens reizen naar andere biotopen in het land en liet zich ook in de trein keurig op tijd voeren. Thuis regelde Roek buitengewoon veel. Het wekken der mensheid had plaats door tikken tegen het raam, van een krachtiger aanpak dan een roodborstje gewoon is. Onze picknicktafel was bijna twee seizoenen lang een echte voertafel. Vanaf de schouder werd het menu gekeurd.

De herfst met wind en regen was moeilijk. Onze zoons die een dag op hem zouden passen konden het niet aanzien en droogden Roek met de badhanddoek af. Toen wij thuiskwamen resideerde de vogel met punkachtige verentooi in de hal. 's Winters drukte de kraaiachtige zich veelvuldig tegen het raam, zich erover verbazend dat de rest van de familie Roek aan gene zijde van het glas bij de kachel zat.

Het volgende voorjaar groeide de onafhankelijkheid. Het geluid werd dieper, voller. Er waren perioden van twee, drie dagen afwezigheid, tot ons aller opluchting telkens gevolgd door het kenmerkende krassen van een terugkerende Roek. Totdat de ogenblikken kwamen waarop we vergeefs onze oren spitsten, naar buiten renden, om het huis liepen, alsmaar 'roehoek, roehoek' roepend. Geen levende, maar wat veel belangrijker is, ook geen dode roek te bekennen. Missie volbracht, maar tegelijkertijd het voorheen onvoorstelbare besef van de leegte die een roek in een huishouden kan achterlaten.

Het is een vorm van opvang die agrariërs en jagers niet bekoort (wegens het vermeende teveel) en natuurbeschermers bevreemdt (wegens het uitschakelen van natuurlijke regulatie). Ik houd het op een alternatieve samenlevingsvorm. Het volgend voorjaar begeven we ons naar de broedkolonie om te kijken of er een roek rijp is voor een jaar van interwezenlijk verkeer.

    • Jan Bonjer