De moraal van het inkomen

AMSTERDAM. Op de dag na de nacht scheen de zon door de oude ramen van het Paleis op de Dam. In de immense Burgerzaal, de glorie van de Amsterdamse Gouden Eeuw, galmden de stemmen van de toeristen. Boven hun hoofd stond Atlas die de aardbol torste, in de vloer was de wereldkaart aangelegd, en daarboven troonde weer de Amsterdamse stedemaagd, omringd door alles wat maar aan symbolisch beeldhouwwerk te verzinnen is: Vrede, Voorspoed, Wijsheid, Kracht.

In de kleine burgemeesterskamer hing een schilderij van Jan Lievens dat de eerbied voor het ambt symboliseerde: 'Dus eert een man van staat het ampt hem opgeleid.' Een kamer verder scheen het ochtendlicht op een andere boodschap. In de schouw hing een schilderij van Govert Flinck dat de consul Marcus Curius Dentatus voorstelde - de zeventiende-eeuwse managers van Amsterdam vergeleken zichzelf het liefst met Romeinse consuls - die zich niet liet omkopen door het goud van een vreemde koning en een sobere maaltijd van rapen prefereerde. 'Zoo wort door Maetigheid en Trouw de Stadt gebout.'

Een paar honderd meter verderop hadden, in de nacht voor de dag, de twintigste-eeuwse stadsbestuurders vergaderd. Hun Amsterdam had zich de laatste honderd jaar uitgebreid als een olievlek. De stad kon zich die ruimte permitteren omdat de Amsterdammers niet meer naar hun scholen en werkplaatsen hoefden te lopen, maar konden beschikken over auto's en fietsen, en bovenal een fijnmazig systeem van trams, bussen en metrolijnen. Dat openbare vervoer had die uitdijende stad decennia lang bijeen gehouden, maar nu was het zo in de problemen gekomen dat er - althans volgens de stadsbestuurders - geen manager meer te vinden was die dit gemeentelijke vervoerbedrijf wilde leiden.

Op één man na. Zijn vorige werkgever had er drie miljoen gulden voor overgehad om hem kwijt te raken, de selectiecommissie van gemeentelijke topambtenaren achtte hem niet geschikt, de ondernemingsraad en de vakbonden verzetten zich fel tegen zijn komst, maar toch werd zijn benoeming er bij de gemeenteraad doorgedrukt. Het salaris dat hij vroeg - ruim 3,5 ton, bijna anderhalf keer zoveel als de burgemeester - maakte hem in één klap tot de best betaalde ambtenaar van Nederland. De minutieus vastgestelde ambtelijke salarisschalen werden omzeild via een smoezelige -constructie. Consul Marcus Dentatus was duidelijk niet het grote voorbeeld van deze nieuwe stadsdienaar.

Nu moet gezegd worden dat de gemeente Amsterdam in een buitengewoon lastig parket verkeerde. Hoewel een vervoerbedrijf van immens belang is voor iedere grote stad, zijn de zaken in Amsterdam dermate verslonst dat het bedrijf bij ongewijzigd beleid over vier jaar voor zo'n 250 miljoen in de rode cijfers zal staan. (Ter vergelijking: het gedeelte van de Amsterdamse inkomsten waarover de stad vrij kan beslissen bedraagt ongeveer 60 miljoen). Als er niet hevig gesaneerd wordt, zal het bedrijf rond de eeuwwisseling verkocht moeten worden aan de meestbiedende, en zal er alleen een uitgekleed systeem van commercieel rendabele lijnen overblijven. Bovendien wordt die precaire situatie begeleid door een starre en weinig creatieve vakbond, die liever denkt aan de 'verworven rechten' van het verleden dan aan een pijnlijke overlevingsoperatie voor de toekomst. Het uitlekken van de sollicitatiegesprekken is nog maar een voorproefje van de vuiligheid die welke bedrijfsleiding dan ook kan verwachten als er gesneden moet worden. In het salaris van de nieuw aan te stellen directeur mag dan ook wel wat extra smartegeld verdisconteerd worden - nog afgezien van het feit dat deze directeur bij een onverhoopt falen geen afkoopsom hoeft te worden meegegeven.

Zo zijn in die nacht het vervoerbedrijf en de nieuwe directeur gijzelaars van elkaar geworden. Het is de laatste reddingspoging voor het voortbestaan van het bedrijf, en de laatste reddingspoging voor de carrière van de directeur. Voor beiden wordt het erop of eronder, en je zou ze het beste willen toewensen en de rest snel vergeten.

Toch is dat moeilijk. In de eerste plaats omdat nu vrijwel zeker het hek van de dam is. Met deze -constructie heeft de gemeente Amsterdam de ambtelijke beloningsregels omzeild op een manier die, zoals het blad Binnenlands Bestuur constateert, geen precedent kent. Wie belet de managers van andere lastige diensten, de stedeplanners, de schooldirecteuren, kortom, al het bestuurlijk talent in de stad om voortaan soortgelijke eisen te stellen?

In de tweede plaats omdat het geval van deze directeur duidelijk maakt hoezeer in het schemergebied tussen bestuur en bedrijfsleven de normen en uitgangspunten dooreen beginnen te lopen. De zeventiende-eeuwse kooplieden die het stadhuis op de Dam bouwden en al die vermanende schilderijen ophingen waren topbestuurders: binnen twee generaties hadden ze van Amsterdam een wereldstad gemaakt. Maar al waren het kapitalisten pur sang, ze beseften donders goed dat staat en overheid een eigen waarde hebben, onderhevig zijn aan eigen regels en normen, een eigen moraliteit kennen.

Nu veel overheidsorganisaties - vooral als ze kampen met problemen - in blinde wanhoop het bedrijfsleven omhelzen, wordt dat wel eens vergeten. Vanuit het bedrijfsleven gezien is het salaris van de nieuwe vervoersdirecteur, gezien de omvang van het bedrijf en het zogenaamde 'afbreukrisico', niet bovenmatig hoog. Voor overheidsbegrippen is het extreem. Maar het is absoluut niet vanzelfsprekend om in die botsing van normen automatisch voor het bedrijfsleven te kiezen.

Er zijn lange verhandelingen te houden over het verschil tussen verdiend en onverdiend inkomen, maar uiteindelijk is het - zoals alles - een kwestie van moraal. Een manager hoort een voorbeeld te geven, en als hij of zij in dienst is van de overheid, is dat een ander voorbeeld dan in het bedrijfsleven. Wie met collectieve middelen werkt en extreem hoge salariseisen stelt, zendt een signaal uit - en zeker voor degene die spijkerhard moet gaan bezuinigen in een bedrijf met vierduizend werknemers is dat niet het handigste signaal. Sterker nog: het maakt, in een tijd van bezuinigingen, buschauffeurs, tramconducteurs en andere doorsnee Amsterdammers woedend. Het is de stof waaruit opstanden worden geboren - in welke vorm dan ook.