De Appel in drijfzand na dreigende subsidiestop; 'Breng vroeger advies uit'

DEN HAAG, 10 SEPT. Alsof de Haagse toneelgroep De Appel geen opheffing boven het hoofd hangt, liet het bestuur van het gezelschap onlangs weten vast te houden aan de benoeming van regisseur Aram Adriaanse tot artistiek leider. De repetities van de eerste enscenering van Adriaanse, dit voorjaar, waren ongelukkig verlopen, en de voorstelling, Don Juan van Max Frisch, was een mislukking geworden.

Maar volgens het bestuur zijn de moeilijkheden nu bijgepraat en Adriaanse blijft aan. Samen met acteur en regisseur Aus Greidanus volgt hij Erik Vos op, Mr. Appel himself, die dit najaar zijn laatste regie doet.

Het is alsof een gebouw vlak voor de sloop nog van een nieuwe gevel voorzien wordt. Over De Appel velde de Raad voor Cultuur dit voorjaar immers een negatief oordeel in zijn advies aan de staatssecretaris van Cultuur voor het nieuwe Kunstenplan 1997-2000. De Raad stelde onvoldoende vertrouwen te hebben in de nieuwe artistiek leiders en van mening te zijn dat met het vertrek van Vos het bestaansrecht van de groep komt te vervallen. De bekendmaking van het bestuur lijkt dan ook op een signaal aan de politiek die in oktober over het lot van De Appel beslissen gaat en op een bezwering van de onzekerheid. Geconfronteerd met deze veronderstelling geeft zakelijk leider Gerrit Dijkstra grif toe dat beïnvloeding van de besluitvorming een belangrijk element is, maar dat het gezelschap ook moeilijk anders kan dan de dreigende opheffing negeren.

Niet alleen voor De Appel maar voor alle instellingen waarover de Raad een negatief oordeel heeft uitgesproken is het een groot probleem dat de politieke agenda en de culturele seizoenen niet op elkaar zijn afgestemd. Op de derde dinsdag in september, Prinsjesdag, maakt staatssecretaris A. Nuis zijn standpunten bekend, waarna in oktober de debatten in de Tweede Kamer volgen. Maar intussen is wel al het culturele seizoen begonnen. Instellingen moeten uiterlijk in de maanden augustus en september hun programmering tot de zomer van het volgende jaar vastleggen, met alle zakelijke afspraken die daarbij horen.

Aan het begin van het vorige Kunstenplan (1992-1996) vormde deze omstandigheid een groot probleem voor het negatief beoordeelde Opera Forum. Juist een operagezelschap moet afspraken met derden jarenlang vantevoren vastleggen. Voor een toneelgezelschap als De Appel zijn die termijnen korter maar niettemin problematisch. Gerrit Dijkstra heeft nu, anders dan anders, slechts de eerste helft van het nieuwe seizoen geprogrammeerd. Alle afspraken zijn met een slag om de arm gemaakt: behoudens continuering van de subsidie. Dat geldt voor derden, maar ook voor de vaste groepsleden.

Dijkstra: “Dat voorbehoud maak je in normale tijden ook altijd, maar dat is pro forma. Ook is het frustrerend dat nadenken over de tweede helft van het seizoen geen enkele zin heeft. Je bevindt je op drijfzand. Naast de puur zakelijke kant is er het psychologische probleem. Het is rampzalig om een nieuw seizoen te moeten beginnen, terwijl er een bom onder het bedrijf ligt.”

Logischer zou zijn, beaamt Dijkstra, om de hele periode van advisering, standpuntbepaling van de staatssecretaris en de kamerdebatten over de cultuurbegroting parallel te laten lopen met het laatste culturele seizoen van het 'oude' Kunstenplan. In die gewijzigde systematiek zou de Raad zijn advies in mei 1995 hebben uitgebracht en zou iedere kunstinstelling uiterlijk tegen het einde van hetzelfde jaar zekerheid hebben gehad over het eigen voortbestaan. Tot de zomer van 1996, het einde van het seizoen, had dan iedere instelling haar programmering kunnen voltooien. Er zouden nu, aan het begin van het nieuwe seizoen, geen onrust en zakelijke onzekerheid bestaan. Het zou ook een duidelijker begin zijn geweest van het nieuwe Kunstenplan, dat nu midden in het seizoen, op 1 januari 1997 ingaat.

Het Ministerie van OCW onderkent het probleem, maar ziet in een andere systematiek nog meer problemen. Volgens een woordvoerster zouden de instellingen dan “te vroeg” in het lopende Kunstenplan genoodzaakt worden beleidsplannen in te dienen voor het volgende Kunstenplan. “Het indienen van de plannen, advisering van de Raad daarover, het opstellen van de Cultuurnota en de parlementaire debatten daarover beslaan nu bij elkaar anderhalf à twee jaar. Dat betekent dat, om een half jaar voor het einde van een Kunstenplan duidelijkheid te hebben over het volgende, de kunstwereld al in het tweede jaar van een Kunstenplan over het volgende moet gaan nadenken. De onrust die nu bij enkele instellingen leeft, weegt niet op tegen de onrust die anders in het hele veld zou ontstaan.”