'Bazel' krijgt mondialer gezicht

AMSTERDAM, 10 SEPT. Jammer, zei minister Van Mierlo dit weekeinde in het Ierse Tralee, dat de buitenlandse politiek geen fora heeft zoals de centrale bankiers die hebben. Van Mierlo zat een moeizame informele bijeenkomst uit van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken over de manier waarop de landen van de Europese Unie in de toekomst meer met één stem kunnen gaan spreken.

Er is inderdaad een schril contrast met de fora waarin 's werelds - en Europa's - centrale bankiers met elkaar omgaan. Maar die hebben het dan ook een stuk eenvoudiger: behalve in landen als Groot-Brittannië zijn zij politiek onafhankelijk, en hun werkterrein is beperkt tot internationale economische en financiële issues. Bovendien zijn er nauwelijks ideologische verschillen: over de belangrijkste taak, het streven naar financiële stabiliteit op nationale en internationale schaal, bestaan tot nu toe nauwelijks fundamentele verschillen van mening.

De belangrijkste centrale bankiers ontmoeten elkaar meermalen per jaar op vaste bijeenkomsten van onder meer de zeven grootste industrielanden (G7) en het Internationale Monetaire Fonds. De Europese centrale bankiers overleggen regelmatig binnen het monetaire comité van de Europese Unie, en zijn geïnvolveerd in de Economische en Financiële raad van ministers (Ecofin). En de bankiers hebben de BIB, de Bank voor Internationale Betalingen, waarin zij elkaar vaker dan maandelijks zien.

De BIB werd in 1930 opgericht om toezicht te houden op de Duitse herstelbetalingen uit de Eerste Wereldoorlog, maar groeide daarna uit tot een 'centrale bank der centrale banken', én tot een forum voor internationale centrale bankiers. De bekendste geesteskinderen van de BIB zijn de internationale richtlijnen voor de minimum-kapitaalseisen van de commerciële banksector, die onlangs zijn gemoderniseerd, en uitgebreid van het kredietbedrijf van de banken tot hun handelsactiviteiten op de financiële markten. Tot twee jaar geleden was de BIB echter in de praktijk een Europees geöriënteerd lichaam. Hoewel de Verenigde Staten behoren tot de aandeelhouders van het eerste uur, en ook informeel zittingen van het bestuur bijwoonden, namen zij hun twee bestuurszetels nooit officieel in. Pas in september 1994 kondigde de BIB aan dat twee Amerikaanse centrale bankiers officieel zitting namen in het BIB-bestuur, dat overigens wordt voorgezeten door Nederlandsche-Bankpresident W. Duisenberg. Ook Japan en Canada traden officieel toe, waarmee het bestuur een volledige afspiegeling werd van de groep van grootste tien industrielanden (G-10). De BIB had het aantal aandeelhouders inmiddels al uitgebreid tot het gros van de landen van Oost-Europa.

De actievere rol van Japan, Canada en de VS moest waarborgen dat de BIB geen al te Europees karakter kreeg. Toen al verwees uitvoerend BIB-bestuurder, de Brit Andrew Crockett, naar de komst van de Economische en Monetaire Unie in 1999. De daarbij horende Europese Centrale Bank zal de samenwerking van de belangrijke West-Europese banken, zoals Duitsland en Frankrijk, een vast karakter geven. De accentverschuiving van de BIB leidt nu een nieuwe episode in. Ditmaal gaat de de-Europeanisering niet in de richting van de gevestigde grote industrielanden buiten Europa, maar naar de nieuwe, opkomende financiële mogendheden. De centrale banken, of in sommige gevallen 'monetaire autoriteiten' van Brazilië, China, India, Korea, Mexico, de Russische Federatie en Saoedi-Arabië, die uitgenodigd zijn aandeelhouder te worden, representeren alle de grootste financiële machten in de eigen regio. Vanwege de vooraanstaande positie van hun financiële markten zijn ook Singapore en Hong Kong uitgenodigd.

Daarmee erkennen de centrale bankiers in de BIB dat de moderne wereldeconomie niet langer zijn centrum heeft in de oude, Westerse industriewereld. Maar het is onduidelijk in hoeverre de nieuw toe te treden groep van centrale bankiers het vertrouwde type respresenteert van de politiek onafhankelijke, waardevrije centrale bankier waarmee altijd het zo makkelijk overleggen was. De tijd zal leren of de nieuwe, mondiale, BIB een forum blijft waar ministers van buitenlandse zaken jaloers op kunnen zijn.