Wie de EU wil hebben, belt Londen en Parijs

TRALEE, 9 SEPT. Niet alleen spreekt de Europese Unie niet met één stem in de buitenlandse politiek, het is twijfelachtig of ze dat ooit zal doen. Dat lijkt de conclusie van de informele bijeenkomst afgelopen weekeinde in het Ierse Tralee.

De ministers konden geen gezamenlijk standpunt innemen ten aanzien van Irak. Dat de Europese Unie er niet in slaagt snel een gezamenlijk buitenlands beleid te formuleren, is al vaker gebleken: tijdens de oorlog in het voormalig Joegoslavië, begin dit jaar bij een Grieks-Turkse geschil over een eilandje in de Egeïsche Zee en vorige week nog in verband met de raketaanvallen van de Verenigde Staten op Irak. De Amerikaanse verzuchting: 'Wie moeten we bellen als we met Europa willen praten?', blijft onverkort van kracht.

Een informele bijeenkomst als die van het afgelopen weekeinde in Tralee is hèt uitgelezen moment om iets aan dit gebrek aan eensgezindheid te doen, stelde Europees Commissaris Hans van den Broek (Buitenlandse betrekkingen) zaterdagochtend. “Ik hoop dat men niet zozeer inhoudelijk het geval Irak nu hier analyseert”, aldus Van den Broek “maar dat men de discussie verbreedt, [...] dat er een evaluatie wordt gemaakt van de Europese besluitvorming.” Hij ging zo ver om te stellen dat de EU beter eensgezind achter het afwijzende Franse standpunt had kunnen gaan staan, dan uiteenlopende meningen te formuleren.

Ook de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, Hans van Mierlo, sprak van “een armoedige situatie” en riep op deze in de toekomst te voorkomen met een besluitvomingsprocedure die het mogelijk maakt met één standpunt te komen. “We missen het instrumentarium van bijvoorbeeld de presidenten van de Europese centrale banken.” Terwijl zij op korte termijn een vergadering kunnen beleggen om een gezamenlijk standpunt te formuleren, zijn de medewerkers van Buitenlandse Zaken “altijd op reis” en niet in staat op het juiste moment met een standpunt te komen.

Ondanks deze goede voornemens bleek in Tralee dat, ook al zijn de ministers bij elkaar, zij niet een gemeenschappelijke positie kunnen formuleren. Terwijl Groot-Brittannië, net als de Verenigde Staten, begrip toonde voor het Turkse voornemen een bufferzone in te stellen in Noord-Irak, heeft Frankrijk hierover zijn afkeuring laten blijken en herhaald dat de territoriale soevereiniteit van Irak moet worden gerespecteerd.

Een effectiever Europees buitenlands beleid is een van de inzetten van de Intergouvernementele Conferentie (IGC) over de herziening van het Verdrag van Maastricht. Maar het is de vraag of tijdens deze onderhandelingen op dit gebied werkelijk vooruitgang wordt geboekt. De Britse minister van buitenlandse zaken, Malcolm Rifkind, maakte gisteren alvast duidelijk dat het wat hem betreft helemaal niet nodig is dat de EU altijd met één stem spreekt. Als je streeft naar een gezamenlijke positie terwijl de meningen uiteen lopen, aldus Rifkind, dan kom je als EU met een verwaterd compromis-standpunt. “Dat geeft niet het gewilde effect van het meehelpen de wereldpolitiek te bepalen.”

Volgens Rifkind is een gezamenlijk standpunt alleen mogelijk als er een gemeenschappelijk belang is. “Als er verschillende standpunten zijn, zoals de Fransen nu ten aanzien van Noord-Irak of Griekenland ten aanzien van Turkije, dan kun je dat niet oplossen met instituties of met andere besluitvormingsprocedures.”

Tijdens de IGC-besprekingen, die eind maart begonnen in Turijn, is gebleken dat alle lidstaten van de Europese Unie het in ieder geval eens zijn dat er een planning- en analyse-eenheid moet komen voor de buitenlandse politiek. Zo'n eenheid moet zich buigen over internationale vraagstukken en een gezamenlijke politiek voorbereiden. Ook tekent zich consensus af voor het aanstellen van een persoon belast met de buitenlandse politiek, die functioneert naast de Europees Commissarissen die zijn belast met de buitenlandse betrekkingen zoals Hans van den Broek voor Oost-Europa. Deze functionaris zal echter niet de 'meneer gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid' (GBVB) zijn die Frankrijk aanvankelijk had voorgesteld en die een grote mate van onafhankelijk heeft. Parijs had zelfs de juiste man al gevonden: oud-president Giscard d'Estaing. Maar andere landen, waaronder Nederland, willen 'meneer GBVB' een minder onafhankelijke rol toekennen en voelen meer voor een hoge functionaris die is verbonden aan het secretariaat van de raad van ministers.

Het is echter de vraag of een analyse-eenheid of een 'meneer GBVB' iets zullen veranderen aan de huidige situatie van verdeeldheid, als Groot-Brittannië - een van de grote EU-landen - nu al aankondigt dat spreken met één stem niet altijd nodig is. Het is zelfs de vraag of de Europese Unie in alle gevallen een gezamenlijk buitenlands beleid moet nastreven. Want dat levert iedere keer als dit niet lukt, weer gezichtsverlies op. Overeenstemming in het buitenlands beleid wordt bovendien nog moeilijker als de Europese Unie straks uitbreidt tot meer dan twintig landen. Misschien kunnen de lidstaten beter erkennen dat hun belangen soms uiteenlopen en dat spreken met één stem niet altijd kan. Dan kunnen de Verenigde Staten, zoals vorige week, zonder aarzeling de telefoon pakken en bellen met Londen en Parijs.