Wanhopige verknoping

De Gids, nr. 9 sept. '96. De Gids verschijnt twaalf keer per jaar, abonnement ƒ 115,-.

De Gids beoefent iets dat, jammergenoeg, nogal zeldzaam is geworden: de uitgebreide beschouwing over het werk van een levende schrijver. Waar vroeger literaire tijdschriften bol van stonden daar moet je nu met een lampje naar zoeken. Wat nu populair is, is het grotere essay dat zelden over één schrijver of oeuvre gaat en waarin de schrijver voornamelijk uit is op zijn eigen ideeën en formuleringen. Dienstbaarheid aan andermans werk is niet meer zo in de mode. Dat legt een zware druk op de literaire kritiek, wat jammer is want die moet meestal snel en in betrekkelijk korte stukken reageren en komt daardoor niet tot uitgebreidere en diepgravendere interpretaties. Daarom zijn de Gids-kritieken erg prettig: men kan de ruimte nemen en op het hele oeuvre van een schrijver reageren of juist heel gedetailleerd op een kleinigheid ingaan.

In het laatste nummer van De Gids staan drie van dergelijke kritieken waarvan de meest interessante die van Marc Reugenbrink over Kees 't Hart is. Reugenbrink heeft plezier in het werk van 't Hart en tegelijkertijd heeft hij het gevoel dat er een werkelijke wanhoop aan ten grondslag ligt, de postmoderne wanhoop om het verlies van een zinvol verband. Of, zoals Reugenbrink schrijft: “De wanhoop van de touwtjesknoper die in zichzelf mompelend proobeert een verband aan te brengen tussen de meest disparate zaken zonder het ooit te vinden.” De postmodernist kan en wil niet meer geloven in iets moois en overkoepelends - maar het verlangen daarnaar is daarmee nog niet verdwenen. Dus volgt er dat wanhopige geknoop, een beeld dat 't Hart in een van zijn verhalen letterlijk heeft gebruikt in een verhaal over een broer die toen hij klein was de gewoonte had om alle meubels en andere voorwerpen in de huiskamer aan elkaar te knopen: “En wij, mijn ouders en ik, wij mochten de kamer niet in, wij kónden er niet eens in omdat ook de deurklink verbonden was met stoelen, tafels en tafeltjes, bloemenvazen, staande schemerlampen, ja zelfs met schilderijen van ouderwetse poortjes die bij ons in grote hoeveelheden aan de muur hingen.”

Reugenbrink maakt zijn visie op 't Harts werk heel aannemelijk en schrijft die bovendien zo aanstekelijk op dat de lezer meteen voelt wat de hierop volgende stap moet zijn: Kees 't Hart lezen door de bril die ons nu door Reugenbrink is verstrekt.

Helaas zijn de andere twee kritieken lang zo goed niet. Huub Beurskens begint een lang verhaal over Rilke als toerist dat alle kanten op gaat - over toeristische toeristen tegenover dichterlijke toeristen, over de domheid van gewone toeristen die het allemaal hartstikke fout doen met hun camera's omdat ze te grof besnaard zijn voor het ware genieten waartoe dichters als Beurskens zelf, maar ook proza-schrijvende dichters behoren, dat wil zeggen prozaïsten die dichterlijk proza schrijven - enfin, uiteindelijk zoemt dit alles in op de vertaling van één verhaal van Nabokov.

Dat verhaal, 'Wolk, burcht, meer' kende Beurskens in de oude vertaling van M. Coutinho die hij veel beter vindt dan de nieuwe vertaling. Waarom hij dat vindt laat hij zien. Daar heeft de dichter Beurskens een feilloos oog (zoals hij trouwens het hele stuk door van een scherpe en aandachtige blik voor details heeft blijk gegeven die hij, terecht, het allerbelangrijkste noemt in poëzie en lyrisch proza).

Het stuk van Jos Joosten over Robert Vernooy ten slotte wil maar niet overtuigen omdat er zo in het wilde weg tegen allerlei lukraak geciteerde kritische meningen wordt aangeschopt en vervolgens veel te zwaarwichtig en vaak lelijk en stijf geschreven wordt ingegaan op wat Vernooy wil.

Toch, ook al lukt niet alles, is het heel goed dat De Gids zulke beschouwingen wil - literatuur waarop niet wordt gereageerd, bestaat niet.

Er staat natuurlijk nog veel meer in de Gids, vier nieuwe psalmen van Leo Vroman onder andere, waarin hij zich opnieuw vertrouwelijk, eerbiedig en wanhopig tot 'Systeem' richt: “Systeem, was jij een mens geweest,/ thuis in een bebloede straat/ dan wist Gij, in je hart bevreesd,/ dat het u niet om plant en beest/ maar om uw kinderen gaat.”