“Verdwenen is de ernst, leve de humor”

Het Theater Festival wordt jaarlijks bezocht door een aantal buitenlandse critici. De Franse theatercritica Chantal Boiron is één van hen. Ze schrijft voor de tijdschriften L'Avant-Scène Théâtre, Théâtre Public en European Stages.

AMSTERDAM, 9 SEPT. Toen ik het Theaterfestival voor de eerste keer bezocht in 1990, in Rotterdam, stond ik versteld van de levendigheid van het Nederlandse theater en de vormvondsten in de ensceneringen, maar ook van de ernst. Nu, vier jaar later, in Amsterdam, tref ik weer dezelfde artistieke opwinding aan, dezelfde hang naar esthetiek, maar verdwenen is de ernst. Er is sprake van meer humor, joligheid en lichtvoetigheid in de voorstellingen die ik zag.

Een storm van het theatergezelschap Teneeter bijvoorbeeld, is een fantasievolle produktie. Er zijn decors noch kostuums. De rekwisieten bestaan uit een paar dingen: een paar schoenen, een handtas, een verstuiver. Maar regisseur Dirk Opstaele beschikt over verbeeldingskracht. Het verbaasde me niet Napoleon en professor Zonnebloem op te zien draven in een Shakespeare-stuk. En de jonge acteurs zijn fantastisch.

Het beloopbare Amsterdam stelt je in staat om op één en dezelfde avond uiteenlopende voorstellingen te bezoeken en melancholiek en vrolijk tegelijk te worden. In de Nes, waar achter het ene theater het andere schuil gaat, zie ik in de ene zaal Toerandoo (regie Marja Kok), een fantasievolle en grappige parodie op de opera, en in een andere, Eerste liefde van Beckett. In de Westergasfabriek, de Amsterdamse variant van de Parijse Cartoucherie, is op hetzelfde moment Bingo te zien, een voorstelling die niet meer beoogt dan te vermaken, en ook de weer ambitieuzere scheppingen van Toneelgroep Amsterdam. Het is mooi om zich van het Bingopaleis, die dubieuze kermisbarak waar men gokt, drinkt en lol trapt, naar het laboratoriumtheater van Gerardjan Rijnders te kunnen begeven. Al is het maar om het uiteenlopende publiek dat beide soorten theater trekken, te monsteren.

Barnes' Beurtzang, van Rijnders in een co-produktie van Toneelgroep Amsterdam en Blauwe Maandag Compagnie, behoort tot de Theater Festival-voorstellingen die ik het mooist heb gevonden. Zelfs ondanks de taalproblemen van een niet-Nederlands sprekende buitenlander, is de enscenering - van het ook nog eens onspeelbaar geachte stuk van de Amerikaanse schrijfster Djuna Barnes - glashelder. Rijnders slaagt erin de verschillende handelingsmomenten af te bakenen. Voortdurend speelt hij met tegenstellingen: verleden en heden, droom en werkelijkheid, met behulp van puur visuele middelen, zoals de miniatuur-uitvoering van het grote decor. Daardoor wordt de theatrale ruimte op zichzelf in perspectief gezet, het is theater in theater. En dat idee stemt helemaal overeen met de nodlotsgedachte in Djuna Barnes' stuk: de herhaling, van generatie op generatie, van dezelfde gebeurtenissen en van dezelfde drama's.

Gerardjan Rijnders weet ook een andere tegenstelling heel goed duidelijk te maken, die tussen de extreem gewelddadige conflicten en de poëzie van Barnes' stijl. Hij heeft genoeg aan enkele pianoklanken en een witte jurk die een werveling over de vloer trekt. Erg mooi.

Een esthetische zoektocht: daarop komt ook Maat voor maat, van het Zuidelijk Toneel, neer. De scenografische hoogstandjes van regisseur Pierre Audi en belichter Jan Kalman zijn de zichtbare blijken van een hechte samenwerking. Er wordt op een slimme manier gebruik gemaakt van video. De filmbeelden vergroten de details en daarmee hun betekenis. Ze worden een soort commentaar op de handeling, een subtekst. Anderzijds is de enscenering naar mijn smaak te modieus en draagt zij niets bij aan Shakespeare's stuk. De pauzes en lange stiltes kwamen me gekunsteld voor. De voorstelling is intelligent en briljant in elkaar gezet, maar emotie roept zij niet op.

In Eerste liefde van Beckett bereikt de jonge acteur Romijn Conen een concentratie en intensiteit die zeldzaam zijn in het theater. Het personage is werkelijk onder zijn huid gekropen. De uiterst sobere regie van Wim Berings laat zien dat hij iedere vorm van behaagzucht, iedere concessie verwerpt. Het lichaam van de acteur bevindt zich, in volmaakte onbeweeglijkheid, gedurende de hele voorstelling in dezelfde positie. Zijn handen lijken bevroren in een gebaar. Maar statisch wordt het niet. De muzikaliteit in zijn stem, zijn blik (soms opgejaagd en zorgelijk, dan weer wreed en pervers) doen recht aan alle nuances in Becketts tekst. En de humor is, vluchtig en nauwelijks waarneembaar, onmiskenbaar aanwezig.

Het is die humor, het plezier van het spel, die voor mij de sterke punten zijn van deze editie, de tiende, van het Theater Festival.