Nog nooit laaide de hartstocht zo hoog op

Voorstelling: West Side Story, musical van Leonard Bernstein, Stephen Sondheim en Arthur Laurents, door Joop van den Ende Produkties. Vertaling: Koen van Dijk. Decor: Paul Gallis. Muziek olv Harry van Hoof. Choreografie: Jerry Mitchell. Regie: Eddy Habbema. Gezien: 8/9 in Carré, Amsterdam. Aldaar t/m 29/9; tournee t/m 24/5.

Metershoge staketsels van brandtrappen en loopbruggen bepalen meteen het beeld - en zo hoort het ook, in West Side Story. In het toneelhuis, waar dat ijzerwerk af en toe kleppert en ratelt dat het een aard heeft, hangt spanning. De lichten priemen precies op de plekken waar het drama zich voltrekt. De dansers, de Jets, lijken wel van lucht, zo moeiteloos maken ze de sprongen die Jerome Robbins in 1957 voor hen bedacht. Maar hun spierballen duiden erop dat het straks vechten wordt. En het eerste woord dat in de hele voorstelling wordt gesproken, is onmiddellijk op zijn plaats: “Oprotten!”

Wie, zoals het theaterproduktiebedrijf van Joop van den Ende, een Nederlandse versie wil maken van de musical die 39 jaar geleden op Broadway zo innoverend was en vier jaar later als film zo tot de verbeelding van jongeren over de hele wereld sprak, stuit op fikse problemen. De tegenstelling tussen de all American boys van New York en de geïmporteerde Puerto-Ricanen lijkt, als iedereen gewoon Nederlands spreekt en zingt, onwerkelijk geworden. De gymnastische choreografie en de felle muziek, destijds hoogst vernieuwend, zijn sindsdien duizend keren nagevolgd. De show heeft, kortom, allang niet meer de sensatie van het nieuwe. Wie nu West Side Story speelt, vecht enerzijds tegen die veroudering en anderzijds tegen de met nostalgie doordrenkte herinnering van wie het origineel nog kent. De nieuwe produktie wekt, hoe dan ook, de indruk dat regisseur Eddy Habbema zo dicht mogelijk bij de Broadway-versie van 1957 heeft willen blijven. Zijn voorstelling straalt een rauw soort energie uit, die de afstand met toen bijna overbrugt. Door inkortingen en verschuivingen is de show versneld, en ook in de vaak zo statische scènes tussen Tony en Maria is beweging gebracht. De dans vertelt het verhaal. En de hartstocht laait hoger op dan ik ooit in andere versies heb gezien: de gelieven persen hun lijven hunkerend tegen elkaar en klauwen gepassioneerd in elkanders gezicht.

Hun ingénu-rollen gaan de nog nauwelijks bekende Maaike Widdershoven en Addo Kruizinga geloofwaardig af - zij draagt, kwinkelerend, de zuivere argeloosheid van Maria in zich mee en hij is een jongensachtige Tony zonder er een watje van te maken. Naast hen valt vooral Hilde Norga op als de vurige vamp Anita, terwijl Daan Wijnands een skinhead-achtige Riff speelt en Perry Dossett als Bernardo een Latijns-Amerikaanse macho is met de hanige houding van George Chakiris in de film. In de kleinere rollen, zowel bij de Jets als de Sharks, vallen sommige zinnetjes nog wat stijfjes uit. Misschien komt dat ook door de vertaling, die in de liedteksten bijna alle vereiste souplesse heeft, maar in de dialogen soms te letterlijk het Amerikaans volgt (every damn night klinkt natuurlijker dan “elke verdomde nacht”).

De ongewoon veelgelaagde muziek van Leonard Bernstein, briljant gecomponeerd èn georkestreerd, wilde gisteravond vóór de pauze nog onvoldoende uit de orkestbak spetteren. Na de pauze maakte die dofheid, vooral tijdens het imposante Cool, echter plaats voor meer dynamiek.

Maar recht overeind staat dat deze West Side Story een respectabele en vrijwel vlekkeloze vertoning is geworden - niet of nauwelijks te verbeteren en in elk geval heel wat energieker dan de Amerikaanse reisgezelschappen die er in de laatste vijftien jaar mee op tournee waren. Zó moet de show ongeveer geweest zijn, denk ik, toen Tony en Maria en Anita en Bernardo voor het eerst te zien waren in hun hoop op een betere tijd en een plaats, somewhere, waar ze vrede zouden kunnen vinden.

    • Henk van Gelder