Misschien zijn er goede Serviërs, maar ik vertrouw ze niet

SARAJEVO, 9 SEPT. Ismet Celikovic uit Srebrenica zit in een glimmende blauw-met-groene trainingsbroek en wit hemd op de bank in een leeg huis in Ilidza. Uit het plafond hangen elektriciteitsdraden, tegen de muur staan een paar losse deuren. “Zij hebben alles meegenomen”, zegt hij.

Met 'ze' bedoelt Celikovic de Bosnisch-Servische familie die dit huis aan het begin van dit jaar nog bewoonde. Ilidza, een buitenwijk van Sarajevo die voor de oorlog werd bewoond door een gemengde bevolking van moslims (43 procent) en Serviërs (36 procent), werd in de oorlog gecontroleerd en uitsluitend bewoond door Serviërs.

Die vertrokken massaal toen Ilidza in maart van dit jaar weer onder het bestuur kwam van de Bosnische federatie, zoals in het vredesverdrag van Dayton was afgesproken. Sommige Serviërs verbrandden hun huizen achter zich, anderen namen alles mee dat ze konden dragen. Twintigduizend Serviërs gingen weg, massaal onder druk gezet door de leiders van de Servische Republiek in Bosnië, drieduizend mensen, veelal bejaarden, bleven in de wijk achter.

De huizen die nog overeind staan hebben vaak geen daken of deuren. Van buitenaf is te zien hoe families binnen op de grond zitten. De moslim-families wonen niet in deze huizen omdat ze dat willen, maar omdat ze, op de vlucht geslagen voor de 'etnische zuiveringen' in de Servische Republiek, nergens anders heen kunnen.

Machinewerker Celikovic vluchtte in juli vorig jaar uit Srebrenica toen de moslim-enclave werd ingenomen door het Bosnisch-Servische leger. Zijn vrouw en drie kinderen waren maanden eerder al door de VN naar Tuzla gebracht. “Ik heb zeven dagen door het bos gelopen. Er was geen water, alles dat ik had was een stuk brood en een klein stukje vlees. Overal om mij heen werd geschoten, naast mij, voor en achter mij vielen mensen dood neer. Mijn broer en mijn oom werden gedood. Maar ik liep door.” Eenmaal in Tuzla was er geen plaats voor Celikovic en zijn familie. “We woonden met vier families in een klein huis. Alle vluchtelingenkampen zaten vol.” Toen hij hoorde dat de Serviërs in Ilidza in maart hun huizen zouden verlaten, besloot hij erheen te gaan. “Ik had geen keus.”

In heel Bosnië wonen ongeveer 850.000 ontheemden, meer dan de helft zijn moslims. Volgens Soufiane Adjali, een jurist die bij de vluchtelingenorganisatie UNHCR is belast met de bescherming van de vluchtelingen in Ilidza, willen ze maar één ding: terug naar waar ze vandaan komen. Maar onder de huidige politieke omstandigheden in de Servische Republiek - waar de van oorlogsmisdaden beschuldigde Radovan Karadzic nog steeds als een held wordt beschouwd - is dat te gevaarlijk.

De UNHCR verstrekt de ontheemden in Ilidza ondertussen voedsel en probeert door ontmoetingen tussen de moslims en de Serviërs in de wijk het vertrouwen te herstellen, zodat straks niet een tweede vluchtelingenstroom ontstaat: die van Serviërs uit Ilidza. Maar in een wijk die tijdens de oorlog werd doorsneden door de frontlijn is dat moeilijk. “De Serviërs is vijf jaar lang verteld dat de moslims hun vijanden zijn, de moslims zijn overlevenden van genocide door de Serviërs. Van die twee groepen kun je niet verwachten dat ze van elkaar houden”, zegt Adjali.

Celikovic trok in het huis in Ilidza omdat het leeg stond. Hij heeft nu een woning, maar het voelt niet als thuis, zegt hij. “Ik voel me hier niet op mijn gemak. Welk normaal persoon zou zich goed voelen in een huis dat hem niet toebehoort? Ik kan niet tegen mijn kinderen zeggen: 'Dit is jullie huis', want het is niet zo.” Celikovic kent de naam van de in maart vertrokken Servische eigenaar van het huis. Maar meer dan die naam weet hij niet van hem. Celikovic heeft geen werk. “Ik heb gezocht maar mij is verteld dat alle fabrieken dicht zijn.” Met zijn vrouw en drie kinderen leeft hij van humanitaire hulp. “Wij krijgen kaas, macaroni, bonen en spaghetti. Het is bijna niets.”

Celikovic wil terug naar Srebrenica. “Mijn huis is door Serviërs in brand gestoken. Maar toch wil ik terug.” Wanneer? “Hoe kan ik dat weten?”, zegt hij. “Dat hangt af van de politiek.” Hij gaat zaterdag stemmen op de SDA, de regerende partij van president Izetbegovic. “Misschien”, zegt hij zuchtend “als de andere kant (de Servische Republiek, red.) naar Izetbegovic luistert, krijgen we ooit weer een gezamenlijk land.” De Serviërs die in Ilidza wonen zullen wel goede Serviërs zijn, vermoedt Celikovic. “Anders waren ze niet gebleven. Maar toch, ik zou ze nooit meer helemaal vertrouwen.”

Een straat verderop zit het Servische echtpaar Milan (70) en Milica Petrovic (68) op een grasveldje in de achtertuin van een groot huis maïskolven te eten. Waarom besloten ze hier te blijven? “We konden nergens heen. We zijn oud. We hebben hier altijd gewoond, dit is ons huis”, zeggen ze. Hun oude buren - “het was bijna familie” - zijn in maart vertrokken. Moslim-dorpelingen die zij niet kennen, zijn voor hen in de plaats gekomen. De buurt is hun buurt niet meer. “We zijn doodsbang”, zeggen ze. “Iedere dag.” Laatst stond er een man aan het hek, vertelt Milica. “Hij schreeuwde: waar wachten jullie nog op, cetniks? Als jullie niet voor vier uur vanmiddag zijn vertrokken, hangen we jullie op aan een boom.”

Ze schuiven hun stoelen dichter aan de tuintafel en praten heel zachtjes. “We zijn zo bang hier. Gisternacht zijn bij een Serviër verderop twee schapen gestolen. Wij hebben een koe. Toen mijn man haar laatst wilde voeren, kwamen er mensen naar hem toe die schreeuwden: 'We vermoorden je'. Ze weten alles van ons.” Kan de politie hen niet beschermen? Milan, tandeloos met een blauwe pet op, moet hard lachen. “Toen die man hier aan het hek stond te schelden, hebben we de politie en de VN-politie gebeld. Niemand kwam. Later kwam IFOR. Wij hebben alles verteld, maar zij hebben niets gedaan. Er is geen wet.”

Milan en Milica weten niet op wie e op 14 september gaan stemmen. “We zijn bezig om de folders te bekijken. Maar wij hebben geen verstand van politiek. Het enige dat wij willen is in vrede leven.”

De nieuwe buurman, een moslim, komt het terrein op. Hij laat het schuurwerk zien dat hij heeft verricht op een houten plank die hij gebruikt voor het bouwen van een ton om sljivovic in te stoken. “Dat heeft u heel mooi gedaan”, zeggen Milan en Milica. Als hij weg is, zegt Milan: “Het is een aardige man. Maar een vriend? Nee, dat niet.”

De namen van Milan en Milica Petrovic zijn op hun verzoek gewijzigd.

    • Daniela Hooghiemstra